Het Bruiloftskleed

Hiernamaalsroman door Louis Pendleton

 

The Wedding Garment, a Tale of the Life to Come - Louis C. Pendleton, USA 1894 ........... Colofon. _______________________________________________________________________________

Hoofdstuk 1

Tijdens een ernstige darmziekte heb ik heel vaak een klein diertje benijd waarvan gezegd wordt dat het de wonderbaarlijke eigenschap bezit om zichzelf van een nieuwe maag te voorzien zodra de oude versleten is. En toch, toen het me duidelijk werd dat ik zou sterven, dat ik spoedig mijn gehele vermoeide lichaam, zo door ziekte versleten en verwoest, zou afleggen, zoals iemand een oud en afgedankt kledingstuk terzijde legt, om in een zeer bewuste toestand in een onsterfelijk lichaam wakker te worden, kon ik niet bepaald zeggen dat ik er blij mee was.

Niet dat ik ernstig twijfelde aan de vriendelijke woorden van iemand die bij mijn bed zat en hoopvolle woorden sprak betreffende het uitzicht, dat mijn leven bij het graf zou ophouden. Integendeel, het had mij altijd geschenen dat er een God moest zijn en onsterfelijkheid voor zijn schepsel, de mens. Sterven en nooit meer leven was naar mijn mening een onbeschrijflijke, monsterlijke, onmogelijke toestand.

Vanaf mijn vroegste kindertijd was de gedachte hoe het werkelijk zou zijn, in mijn innerlijk gegrift. Maar dit was in de afgelopen jaren nauwelijks tot mijn bewustzijn doorgedrongen, daar zowel mijn vrienden als ikzelf wat men noemt niet religieus waren. Onze gedachten hielden zich bezig met de wereld en niet met de eeuwigheid. Dit was de oorzaak van mijn verdriet. Ik hield van deze wereld en zag geen noodzaak deze te verlaten, want ondanks de rampspoeden die het lot de mens te dragen geeft, vind ik het een goede en aangename wereld.

"Jij zegt dat je het niet prettig vindt te denken aan begraven worden" sprak een goede vriend aan mijn bed, "maar jij zelf zult niet rotten in de aarde. Het is alleen maar je materiële lichaam dat zich zal ontbinden."

"Dat is toch zeker hetzelfde, niet waar?" vroeg ik met een zachte, haast geluidloze stem in een moment van neerslachtigheid. "Deze handen zullen rotten, deze ledematen, deze ogen, deze hersens, en dat ben ik."

"Zij vormen de bekleding van het lichaam dat je draagt in de natuurlijke wereld. Dit lichaam is niet de mens."

"Noem het louter een kleed, als je wilt," antwoordde ik, "maar het blijft een feit dat het moeilijk te zien is wanneer je het wegneemt."

"Het feit dat je niet kunt zien met de ogen van je lichaam, bewijst niets. We zijn gedwongen te geloven in het bestaan van dingen die we niet kunnen zien.  Wat is werkelijker dan onze gedachten? En toch kunnen we die niet zien met de ogen van ons lichaam."

"Onze gedachten en gevoelens zijn zeker zo werkelijk als maar kan," antwoordde ik passief.

"Het is waar," ging mijn vriend verder, "dat de ogen van ons lichaam gezichtsorganen zijn. Door deze zien we de dingen van deze wereld en we handelen door deze door middel van materiële spieren, toegerust met de kracht en het vermogen om de ons omringende dingen, de zwaarwichtige onderwerpen te zien, maar ons verstand ziet dat er een innerlijke kracht moet zijn. Dit iets is de ziel of de geestelijke mens, en dit wat leeft, denkt en handelt, is de werkelijke mens.

"Wanneer je van je natuurlijk lichaam bent gescheiden, verlies je niet meer dan bijvoorbeeld een kokosnoot, die ontdaan is van zijn ruw uitwendig omhulsel of bolster. Trek deze bolster eraf en je houdt alleen maar de harde omslag over, waarin de kern zelf zit met zijn innerlijke bewaarplaats van melk. Zo blijft er alleen maar het geestelijk lichaam over, wanneer je je bij het sterven ontdoet van de materiële bedekking, die je tijdens het verblijf in deze wereld tot nut is geweest, als een omslag en rustplaats voor je bewuste gemoed en je innerlijk leven of je ziel. Al wat werkelijk van waarde is tot nut van een hoger bestaan, blijft.

Je leeft, ademt, beweegt als tevoren en je bent dezelfde persoonlijkheid met alleen maar het verschil dat je de winnaar bent door de scheiding van je broze materiële lichaam, dat een deel en een stukje van de materiële wereld is, een zekere uiterlijke bekleding, die je zogezegd gedragen en uitgetrokken hebt toen het niet langer nodig was.

Al deze dingen spraken tot mijn verstand. Ik voelde dat dit waar moest zijn en toch was er een onbestemde onbehagelijkheid. Dit alles moge waar zijn, maar daar bleef toch nog het sterven. Als iemand maar niet hoefde te sterven!

"De onsterfelijkheid van de ziel”, ging mijn ernstige vriend verder, "is typerend voor ieder ding in de natuur. Een overrijpe appel valt inderdaad op de grond en bederft; maar in het verrottende hart bevindt zich een zaad dat op die plek wordt gevoed, dat opgroeit tot een nieuwe boom en op zijn beurt weer nieuwe vrucht draagt. Het bevat weer nieuw zaad waarin in potentie alle appelbomen elkaar een aantal jaren opvolgen. Op deze wijze presenteert zich aan ons een beeld van de onsterfelijkheid en de eeuwigheid.

Hetzelfde geschiedt eveneens, zelfs meer direct, in sommige van de laagste vormen in het dierlijk koninkrijk. Wat later een vlinder wordt, is in het begin een nietig klein wormpje, dat op een gegeven moment in een pop verandert en te bestemder tijd zijn omhulling afwerpt, zijn banden verbreekt en zich als een prachtig gevleugeld schepsel verheft in de hoge lucht, waar het zijn hemel vindt. In zijn eerste staat was hij maar een miserabele worm, geketend aan de grond, die nu omhoog vliegt, van bloem tot bloem, en in de grote vreugden van zijn hoger leven komt. Zo is het ook met de mens, in het begin alleen maar betrokken bij de aardse dingen, maar wanneer hij bij de dood zijn overgangsstaat passeert, begeeft hij zich naar een geweldig, meer volmaakt bestaan.

Ongetwijfeld was dit een moeilijke preek, gericht aan een stervend mens; maar ik was helder van geest en sterk genoeg om zonder al te veel uitputting te luisteren, want enkele dagen later viel de beslissing dat ik niet lang meer kon leven. Ik zag dat mijn zuster angstig was; maar het ontging haar niet dat ik ongewoon geïnteresseerd was. Zij maakte geen tegenwerpingen.

De predikant kwam geregeld en praatte met me over het voorgaande, bovendien over de problemen van het menselijk leven, van waar het is en over de bedoeling ervan. Hij verzekerde me dat het natuurlijke universum alleen maar een kinderkamer is en een leerschool voor de mens in het eerste plan van zijn bestaan. De strekking daarvan betreft steeds en alleen maar de dingen in hun orde, ten einde de dingen naar een aanvulling en vervolmaking tot een hoger en bovenmaterieel plan te brengen. Een mens in zijn eerste staat bezit het vermogen omhoog naar zijn Schepper te schouwen. Vanuit zijn rede kan hij het verschil tussen goed en kwaad onderscheiden.

Uit vrijheid is de mens in staat om het ene te verbeteren en het andere te laten, om op deze manier wederverwekt te worden. Op deze manier kan hij wederverwekt worden en kan hij zich tenslotte plaatsen in overeenstemming met de eindbestemming van zijn schepping, want de bedoeling van de schepping is uiteindelijk om uit het mensdom een Hemel te vormen.

"Spreek met mijn zuster," zei ik tenslotte, vermoeid als ik was. "Misschien kan het haar meer helpen dan mij."

Ik was echt moe en de tijd om te luisteren en over deze dingen te mediteren was voorbij. De wereld gleed van mij weg. De dagen en nachten volgden elkaar op in een weinig bewogen toestand, gelijk nevelige fasen in een droom. Maar opeens, in een helder ogenblik zag ik hoe de dokter zich over me heen boog en ik hoorde mijn zusters onderdrukte snik, terwijl hij met zachte stem tot haar sprak. "Ik ben nu stervende," was mijn gedachte, “stervende."

Het was niet verschrikkelijk. Zacht voelde ik nu een lichamelijke rust over me komen, die na zo veel lijden in mij op scheen te stijgen en zachtjes invloeide in mijn geest, als verkoelend water. Er was echter nog een gevoel van pijn bij de gedachte aan mijn zuster. Ik wist heel goed hoe het met haar zou zijn. In het begin zou zij het gevoel hebben of haar hart gebroken was; want we hielden veel van elkaar en hadden het verlangen om veel bij elkaar te zijn. Dit kon ik wel voorspellen. Wanneer de in het zwart geklede mensen rond het open graf verzameld waren, zou vanuit een gesloten wagen een onderdrukt maar troosteloos geween te horen zijn. Zo zou mijn lieve zuster komen om te zien hoe de laatste plechtigheid vervuld werd. Wanneer de eerste spade met aarde in het graf werd geworpen, met dat holle, vreselijke geluid, zou zij haar hoofd buigen tot op haar knieën en zou haar gehele houding getuigen van een gekneusd en geslagen verdriet.

Deze pijn was er wel, maar dat was het enige. De wetenschap van de naderende dood bracht geen opwinding en angstige ontsteltenis. Gedurende enige tijd was mijn gedachte: "Als het de wil van de Heer God is, wat kan ik dan doen?" Na een tijd van zwerven kwam een andere gedachte in mij op: " Wat er ook moge gebeuren, er zal een oordeel komen, dat wist ik zeker.

Ik wist dat de doodsbedscène ophanden was, dat mijn zuster, mijn tante, de dokter, de zuster, misschien de predikant allemaal om me heen waren. Zo nu en dan hoorde ik gefluister. Een keer was er het geluid van een deur die gesloten werd in een verder gedeelte van het huis. Er was het kraaien van een haan, zacht en ver weg. Dan scheen tenslotte een zachte wervelende wolk over me heen te gaan. Met gesloten ogen vloeide ik hierin weg. Een koele hand legde zich op mijn voorhoofd, die me verwardheid bracht over alle wederwaardigheden. Het uur was daadwerkelijk gekomen. De kruipende schaduw van de dood omsloot langzaam maar onwankelbaar ieder gevoel, totdat er niets meer overbleef dan een vaag bewustzijn van een laatste vonk als van een hoop dovende kolen.

Welke macht houdt een enkele vonk zo lang in leven? Het is een vreemd, vreemd iets, dit toeven van de goddelijke levensvonk in een steeds kouder wordend lichaam. Nee, het is ten slotte niet vreemd. Zal een mens, die vele jaren in een huis heeft geleefd, op de drempel niet even terugkijken wanneer hij afscheid neemt? Zelfs wanneer het huis oud en in verval is? De kool houdt het nog een poosje, maar als een vleugje wind de bescherming verdrijft, verdwijnt de tinteling. De man, die even in de deuropening wacht, keert niet terug. Hij kijkt alleen even om met een glimlach en een zucht, gaat heen en de deur is gesloten. Zo ook nu, de kool doofde en de deur was gesloten.

 

Hoofdstuk 2 - De dood is de poort naar het leven

 

Zou het waar kunnen zijn? - de deur nog op een kier - de vonk nog levend? Is het geoorloofd te dromen? Kan het een voorbijgaande droom ... neen de schaduw van de dood scheen opgeheven. Een zwak bewustzijn van bestaan flikkerde nevelig met tussenpozen door mijn geest en werd langzaam sterker. Ik raakte ervan overtuigd dat ik weer een levend schepsel was.

Was het wel de dood geweest? Dit was niet de dood, en toch zag ik niets. Maar er was een gevoel van uitbundige vreugde bij de terugkeer van het leven. Ik leefde en er waren vrienden in mijn nabijheid, die mij gespannen in het gelaat staarden. Alles was in orde. Een lange tijd verkeerde ik in die toestand - een lange gelukkige tijd.

Tenslotte begon ik te beseffen dat ik uitgestrekt op een bank lag en dat er een ongewone energie in mijn ledematen was. Nu drong van enige afstand een gezang van lieflijke jonge stemmen in mijn oren, en een geur van bloeiende lentebomen in mijn neusgaten. Ik zag alleen maar helder licht, maar wist dat ik niet alleen was. Onmiskenbaar voelde ik de tegenwoordigheid van - van wie? Was dit de drempel van het eeuwige leven? Waren die wezens naast me engelen? Ik voelde dat zij onderzoekend naar me keken en door mijn gelaat in mijn ziel lazen, waardoor ik angstig werd en naar hun vertrek verlangde.

Dit gebeurde. Even later voelde ik dat zij waren verdwenen, en ik was blij dat ik alleen was. Neen, niet alleen, want even later zag ik weer anderen. Andere wezens waren om me heen en raakten me aan met vriendelijke handen. Zij keken eveneens in mijn gezicht. Het scheen alsof iets zachtjes van mijn gezicht werd afgetrokken en eveneens zachtjes van mijn ogen afgerold, waarachter ik licht zag. Gedurende enige tijd kon ik niet helder zien. Waar zouden deze nieuwe vrienden vandaan komen?

Tenslotte trachtte ik mijn ogen wijd te openen en deed ik moeite om op te staan. Terwijl ik dit deed vond er een opvallende verandering plaats. Wat het inhield kon ik niet verklaren. De lieflijk zingende stemmen waren ver weg. De aanraking door die aardige wezens, die ik eerder voelde, was verdwenen.

Hoor, waren dat niet hun zachte voetstappen terwijl zij weggingen? Het scheen me toe als hoorde ik een zachte, lieve stem, of was het pure suggestie die vorm aannam in mijn ontwakende geest, die zei: "Kleed je aan en kom met ons naar buiten.”

Nu zat ik rechtop en zag om me heen, terwijl ik wist dat ik alleen was. Die zoete harmonie was verdwenen. Wat een wonderbaarlijke ervaring was dit. Ik bevond me hier in mijn eigen kamer met alle vertrouwde voorwerpen om me heen. Het was morgen en tijd om op te staan. Wat was er gisteren gebeurd ? Was ik niet ziek geweest en verwachtte ik niet binnenkort te sterven? En nu, geen zwakheid, geen lijden, enkel licht en kracht. Waar waren mijn zuster en de anderen?

"Kleed je aan en kom bij ons, buiten." Had iemand me niet zoëven met deze woorden gewekt? Wie was "daarbuiten"? Mijn oog viel op een stapel kleren die binnen armlengte over een stoel hingen. Ik stond op en verbaasd kleedde ik me snel aan. Ik verliet mijn kamer, doorzocht het gehele huis, vond niemand, en vroeg me af, waar zij wel allemaal naartoe waren gegaan.

Behalve mijn zuster en mijn tante waren er hier nog drie bedienden aanwezig. Het was ons eigen landhuis, waar we de zomer doorbrachten, alleen maar wij met ons drieën, want ik was 23 jaar oud en ongetrouwd. Toen ik de voordeur opende en naar buiten ging, trof het me dat iets het vertrouwde landschap verstoord had. Waren de wouden en velden van plaats veranderd? Bij de poort draaide ik me om, keek terug en was volkomen ontsteld.

Het had een bepaalde gelijkenis, maar zonder twijfel was dit niet ons landhuis. Wat betekende dit mysterie ? Er kwam een naar gevoel over me en mijn verontruste gedachten wendden zich in een gebed om hulp omhoog.

Een ogenblik later zag ik een man wandelen in de laan. Door de open poort snelde ik op hem toe. Van een afstand leek hij op onze naaste buurman, maar een nauwkeuriger blik maakte duidelijk dat hij een buitengewoon iemand was. Een man in de bloei van zijn jaren, een goed gevormd gelaat en een schitterende gouden baard zouden alleen maar voorbijgaande aandacht opwekken. Deze man riep verwondering op, want naast deze aangename kenmerken bezat hij iets dat onvergelijkbaar en onuitsprekelijk was. Ik bedoel dat dit gezicht een uitdrukking had, die een nobele schoonheid genoemd mag worden in een graad, die je hier beneden de Hemel nergens zou kunnen vinden.

"Wanneer deze man niet goed en oprecht zou zijn, waar zou de wereld dan naartoe gaan?" was mijn ogenblikkelijke gedachte. Hij scheen mij te verwachten en reikte me warm de hand, terwijl hij vroeg hoe ik het maakte. "Ik ben blij je te zien" zei hij glimlachend met een blijde uitdrukking, die mij trof.

Klaarblijkelijk hield hij me voor een ander. "U bent erg vriendelijk" zei ik "maar ik heb niet de eer - ik ken u niet."

“U zult me later beter kennen" antwoordde hij ernstig, terwijl zijn rustige, diepe ogen geen moment van mijn gezicht afweken.

Wat zou dit kunnen beduiden? Ik was zeer onder de indruk, maar ditantwoord maakte me onrustig. "Kunt u mij vertellen waar ik ben?" vroeg ik met een bruuskheid die mijn angst verried.

"Dat kan ik en dat zal ik" antwoordde hij bedaard "maar eer ik dat doe, laat ons naar die bosjes gaan en daar gaan zitten. Ik heb u veel te zeggen."

Ik keek in de vriendelijke ogen van deze man, keek even weg en keerde me dan weer naar hem toe. Was hij niet wijs? Het zou diep bedroevend zijn om te denken aan - te denken dat een zo perfect menselijk mechanisme hevig verward was geraakt.

"U bent er helemaal naast" zei hij plotseling, terwijl hij me strak in het gezicht keek. Er zijn hier geen geestelijk gestoorden, behalve diegenen die naar de hel neigen. In het ware licht zijn alleen de bozen gestoord, en zijn alleen de goeden in hun ware geestvermogens."

Wie was deze man? Ik had niet gesproken en toch kende hij mijn gedachten. Was het mogelijk dat ik niet meer zorgvuldig over mijn gedachten kon waken en deze alleen via mijn gezicht konden worden weergegeven? Iets was er verkeerd, en ik moest op mijn hoede zijn. Niettemin werd ik sterk gedwongen tot vertrouwen aan deze sterke persoonlijkheid, die in staat scheen de gedachten van anderen te lezen. Ik liep naast hem voort. "U schijnt mij te kennen" waagde ik te zeggen "waar heeft u mij eerder gezien?"

"Ik heb u niet eerder gezien" antwoordde hij “maar uw naam is Oswald Burton, nietwaar?"

Ik zei niet eens ja, zo was ik in gedachten verzonken en verrast. Intussen wandelden we tussen de bomen. Het was een bos van betoverende eiken, die ik tot nu toe niet opgemerkt had. Geplaveide, kronkelende wandelwegen liepen er doorheen. Dicht bij een open plek was een ronde, diepe plas met helder en doorzichtig water, dat van beneden opwelde uit een ondergrondse rots en voort stroomde via de bosjes in een zacht murmelende beek. Nabij de spreng stonden twee tuinstoelen. Terwijl hij me uitnodigde om plaats te nemen, haalde mijn vreemde gids een zilveren beker te voorschijn en ving wat water op. "Drink" zei hij; en ik gehoorzaamde.

Op het moment dat ik de inhoud van de beker proefde, zochten mijn ogen die van mijn begeleider. "Noemt u dit water?" vroeg ik met verhit gelaat. "Het is zo heerlijk als de beste wijn. Hoe komt dat?"

"Dat komt doordat deze bron in nauwkeurige overeenstemming is met de Bron van Wijsheid, waarvan hij een uitbeelding is", was het antwoord. "Ik verheug me er over, dat je dit heugelijke feit waarneemt, want dat is voor mij een teken dat je oren niet voor hemels onderricht gesloten zijn. Dit kroesje water is een noodzakelijke proef, dit water een onfeilbare test."

"U zegt zulke vreemde dingen", riep ik na een ogenblik verbaasd uit. "Zeg me, wat betekent dit allemaal?"

"Het wil zeggen, dat u nu een bewoner bent van de geestelijke wereld."

Verbaasd stond ik rechtop, angstig, ongelovig. “O, hoe is dat mogelijk!" riep ik.

“U bent een geest" was het kalme, rustige antwoord. "U bent zojuist aangekomen vanuit de materiële wereld - de aarde - en bent nu in de toegangshof van de geestelijke wereld, waar allen komen na hun overlijden, en daar blijven voor een kortere of langere tijd, totdat zij volkomen voorbereid zijn of voor de hemel of voor de hel."

"Het is onmogelijk" zei ik iets rustiger, indachtig aan hetgeen ik de laatste weken van mijn ziekte gedacht had. "Ik heb altijd begrepen dat een geest, zo er al zoiets mocht zijn, een dun, ijl iets was, dat in de atmosfeer rondvliegt, maar ik zie, hoor, proef, ruik, voel - ik ben een mens."

Je bent een mens, zeker, in het volledige bezit van alle eigenschappen; niettemin, de verbinding met je natuurlijke lichaam is verbroken en je leeft nu bewust in een geestelijk lichaam, dat in alle opzichten een natuurlijke tegenhanger is van jouw andere lichaam, dat alleen maar gevormd werd uit de substantie van de geestelijke wereld, en daarom niet materieel maar substantieel is."

"Maar" drong ik aan "ik ontwaakte een half uur geleden in het huis daar tegenover, en kleedde me precies als ik mijn gehele leven heb gedaan."

"En was daar vandaag niets ongewoons in verband met jouw ontwaken?" Ja dat was er. Het is waar dat ik op een onberekenbare manier van plaats veranderd ben. Hedenochtend, voor ik ontwaakte, had ik een mooie droom van zoete muziek en geuren; maar...

“Dat was direct na uw opstanding" onderbrak mijn metgezel. "Het was de invloed van de engelen die toen bij u waren. Deze engelen waren gedwongen u na een tijd te verlaten, want zij waren van de hoogste, of wel, de meest innerlijke Hemel. U kon hun tegenwoordigheid niet verdragen. Toen kwamen engelen van de middelste Hemelen en zij bleven bij u, totdat u geheel wakker was. Er werden voorbereidingen getroffen voor uw instructie, en u werd omringd door alle voorwerpen van uw aardse huis. Dit gebeurde om u moed en vertrouwen te geven. Er wordt steeds in voorzien dat de nieuweling (nieuwe geest) niet zal lijden door een te grote angst."

Ik nam plaats en keek zwijgend naar de spreker. De wind ruiste door de toppen van de eiken, de zonneschijn glinsterde op het water van de bron. Het gezoem van de bijen en het zingen van vogels streelden mijn oor. Nee, nee, het kon niet waar zijn! Dit was de wereld. Ik stond weer op. Terwijl ik met mijn teen langs een steen streek, rolde deze langs een hellinkje naar beneden.

"Wilt u mij vertellen dat dit geen steen is?” vroeg ik.

“Dat is een steen, maar niet een die tot de materiële wereld behoort", was het antwoord. “Het is een deel van de eeuwige substantie van de natuurlijke wereld, die een soort uiterlijke bedekking is."

Ik nam weer plaats. "En toch is het onmogelijk!" zei ik. Er was een teleurgestelde uitdrukking op het gezicht van mijn metgezel. Hij keek me enkele ogenblikken onderzoekend aan.

"Wanneer alles wat ik tegen je heb gezegd niet voldoende is, moge de Heer zich verwaardigen je op een andere manier te overtuigen, jongeman" zei hij tenslotte met, naar het mij scheen, enige droefenis. "Sta op en wandel een klein eindje langs dit pad" vervolgde hij, terwijl hij me met zijn hand de richting wees. "Wanneer je daar zo gaat, tracht dan in gedachten een aardse vriend op te roepen, die kort geleden is gestorven. Keer dan na een poosje hier bij me terug."

Benieuwd wat er zou gebeuren, stond ik op en gehoorzaamde. Ongeloof, angst en eerbied stonden zonder twijfel op mijn gezicht te lezen. Nauwelijks had ik een honderd meter gelopen, toen ik bemerkte dat een jonge man bij enige bomen te voorschijn kwam en langs het pad wandelde dat het mijne op enkele meters afstand kruiste. Het was een jongen die ik jaren gekend had. Drie of vier maanden voordat ik ziek was geworden, was hij overleden.  We zagen elkaar op hetzelfde moment. Met een glimlach van herkenning op zijn gezicht versnelde hij zijn gang. Plotseling stond ik stil en werd koud, zelfs misselijk toen ik hem luid mijn naam hoorde noemen.

"Wat - wat doe jij hier?", hijgde ik.

"Wees niet bevreesd", zei hij met een vriendelijke glimlach “ik ben werkelijk hier, zoals je ziet.”

"Heb ik niet gezien dat je drie maanden geleden werd gecremeerd? Of heb ik het mis?"

"Ja, dat is zo - dat wil zeggen, je zag dat mijn natuurlijke lichaam werd verbrand. In het begin geloofde ik het ook niet.” Even zweeg hij, en ging een ogenblik later verder: “Ik was spoedig overtuigd. Ja, heel snel. De situatie heeft het mij bewezen. Onze zwakke, vergankelijke lichamen hebben we afgelegd, Burton, en nu zijn we in de geestelijke wereld."

Verbluft luisterde ik, tot hij tenslotte tot ziens zei. Toen draaide hij zich om en vervolgde zijn weg. "Ga niet weg !" smeekte ik en greep zijn arm. Hij bleef staan en ik begon hem ijverig te ondervragen, maar hij hield me tegen.

"Wie ben ik om jou te onderwijzen? Ik moet je nu verlaten. Misschien zien we elkaar weer; dat hoop ik. Tot ziens!"

Met tegenzin liet ik hem gaan en volgde hem met ingespannen blik, totdat zijn gestalte achter de bomen verdween. O, het was waar! Het was waar! Ik was een geest. Beschaamd en verward draaide ik me om en ging mijns weegs.

Mijn begeleider van het eikenbos was nu niet langer alleen. Hij was in ernstig gesprek met twee mannen. Zij schenen mij niet op te merken. Op enige afstand bleef ik staan, bang om hun gesprek te onderbreken. Terwijl ik ze zo gadesloeg, las ik plotseling een vriendelijke groet op hun gezicht. Waren dit soms de engelen uit de Hemel, die mij gingen onderwijzen? Het moest wel zo zijn. Een van hen had reeds onderwijzende woorden tot mij gericht. Hoe ondankbaar had ik geluisterd! Ik voelde me onwaardig om naar hen te kijken. Ik keek naar de grond. Enkele minuten bleef ik in deze houding, en terwijl ik mijn situatie overdacht, luisterde ik naar de zachte wind die door de bomen aan de overkant waaide. Toen ik het tenslotte waagde om op te kijken, waren de twee bezoekers verdwenen. Alleen degene met wie ik het eerst had gesproken, bleef staan. Hij zat nu rustig te wachten in een van de stoelen. Zijn kalme blik rustte op mij.

"Zeg me wie u bent!" smeekte ik, hem zo eerbiedig mogelijk naderend.

"Ik ben Ariël, een dienaar van de Heer." Een glans van intense vreugde kwam op zijn gelaat, toen hij sprak. Tenslotte werd het me duidelijk, dat hij een engel was. Dit schuldgevoel werd vergezeld door diepe vernedering. Ik knielde voor hem en wist niet wat ik moest zeggen. Maar hij bukte zich snel, trok me op en zei: "Buig je knieën alleen voor de Heer. Hij is je vriend, je beschermer. Hij alleen is oneindig goed, wijs en barmhartig.”

Het leek alsof ik in de schaduw of duisternis stond, ver van hem vandaan. Ik voelde me bedroefd, ongemakkelijk, en verlangde ernaar om weg te gaan en alleen te zijn, maar durfde niet. Hij scheen mijn gedachten te lezen. Verwachtingsvol en bemoedigend rustten zijn mooie ogen op me. Zo werd ik tot spreken gebracht: "O, goede, vriendelijke Ariël, laat me weggaan! Ik ben het niet waard en niet geschikt om met u samen te zijn, want u bent een engel van de Hemel."

"Je bent vrij om te gaan" zei hij vriendelijk. “Het wordt tijd voor ons om afscheid te nemen. Jij moet nu verder gaan, je verzoekingen tegemoet. Het zal het werk van goede geesten zijn om je naar de Hemel te leiden, terwijl het kwaad zal trachten je naar de hel te trekken. Al naar gelang de staat van je liefden en aandoeningen die tijdens je leven bepaald zijn, zul je aangetrokken worden tot het éne of je aansluiten bij het andere. Dit hangt geheel af van je leven in de wereld. Verzoekingen hier hebben alleen tot doel de wederverwekking van de mens, die in de wereld aan de hervorming is begonnen, tot op een bepaalde hoogte aan te vullen en te vervolmaken. Wanneer je het goede en het ware lief hebt, zul je geleidelijk opwaarts gaan. Maar indien je het kwaad verkiest en lief hebt, zul je te zijner tijd alle herinnering aan hetgeen goed is, kwijt raken en je uiteindelijk thuis voelen tussen de bozen in de hel. De Heer en alle Hemelen verlangen ernaar om je te helpen, maar kunnen dit niet doen wanneer je jezelf bevestigd hebt in de liefde tot het kwade. Ga nu verder. De Heer zij met je! Het ga je goed!"

Hij drukte me warm de hand en wandelde weg. Ik keek hem na, gebukt onder een diepe droefheid. Ik keek om, en toen mijn ogen hem opnieuw zochten, was de engel uit het zicht verdwenen.

 

Hoofdstuk 3 - Eeuwigdurende kerkdiensten

 

Er zijn tijden waarin onze zonden, onvervulde plichten zich sterk voor onze geest aftekenen. Eigen interesses, zelfaandacht, zelfliefde en nog meer zó sterk zijn, dat zij afschuwelijk zichtbaar worden. Men is verbaasd en men schrikt ervan. Op zulke momenten ziet men misschien, dat duivels zichzelf liefhebben en engelen van anderen houden. Bij bespiegeling van dit soort dingen vraagt men zich dan af of men, ondanks een fatsoenlijk en ordelijk leven in het natuurlijke, innerlijk misschien een duivel is.

Wanneer ik er nu over na ging denken, scheen het me toe alsof iedere daad in mijn afgelopen leven door egoïstische motieven werden ingegeven. Dan zei ik tegen mezelf dat ik waarschijnlijk niet beter verdiende, dan een plaats in de hel. Desondanks heb ik gebeden, dat ik er op een keer toe gebracht zou mogen worden, om de plaatsen van de goddelozen te mijden en de tegenwoordigheid van de engelen te zoeken. Langzamerhand verdween mijn nederigheid. Nu begon ik tegen mezelf te zeggen, dat ik, ofschoon ik in de wereld de gelegenheden, om een wijzer en beter mens te worden, verworpen had, het mij niet volkomen kwalijk genomen zou worden. Die mensen, die ik in mijn jeugd ontmoet had voor religieus onderwijs, deden weinig meer dan in niets zeggende termen praten over geloof, geloof en nog eens geloof. Dit kon ik nooit begrijpen en echt geloven. Zo kreeg ik hoop en vertrouwde er op, dat ik ondanks alles, toch in de wereld de kiem had gelegd voor het goede en het ware. Wat ik nu te doen had, was vooruit gaan en de weg naar de Hemel te gaan vragen en daarvan nooit af te dwalen. Steeds zou ik het als mijn taak moeten zien om mijn geest en mijn hart van het kwaad te zuiveren. Voor mij stond het vast, dat dit tijd zou vergen, want ik was er beslist nog niet klaar voor. Er kwam een weten dat, zo ik ooit mocht slagen, ik nu nog niet geschikt was, om in het gezelschap van zulk een engelmens te verblijven.

Door deze gedachten bemoedigd, draaide ik me om en wandelde uit het eikenbosje. Het afslaande pad volgend, had ik nog niet ver gelopen, toen ik een gezelschap van ongeveer 15 mannen en vrouwen in mijn gezichtsveld zag komen, die snel rechtuit liepen. Zij hadden reeds mijn weg gekruist en schenen in grote haast te verkeren. Daarom liep ik hard roepend naar ze toe in verlangen om met hun te mogen praten en inlichtingen te verkrijgen. Zodra zij me zagen hielden ze stil. Zij verwachtten mijn komst met nieuwsgierigheid. Op bijna een voet afstand van hen, boog ik en nam ik mijn hoed af voor de dames. Dan richtte ik me tot een voorovergebogen, statige man van middelbare leeftijd, die mij de leider van dit gezelschap toescheen. Naar zijn manier van doen en naar zijn kleding te oordelen, leek hij op een geestelijke. Hij groette me hartelijk en vroeg waar ik vandaan kwam. Ik zei dat ik heel erg wenste om de weg naar de Hemel te vinden. Zeer dankbaar zou ik zijn als hij in staat zou zijn om mij enige inlichtingen te verschaffen.

"De weg naar de Hemel?" antwoordde hij blij. "Wij zijn op weg en zullen daar zo spoedig mogelijk aankomen.

"Is het zó dichtbij ?" vroeg ik twijfelachtig.

"We hopen en geloven dat het zo is," was het antwoord.

"Wij, deze goede vrienden en ikzelf zijn ook zojuist vanuit de wereld aangekomen. Zodra we tot bewustzijn kwamen vroegen we een ieder de weg naar de Hemel. Men zei ons, deze weg te volgen. Terwijl we met elkaar kennis maakten, gingen we verder en vormden dus ons kleine gezelschap. Wij vertrouwen er allemaal op om spoedig door de poorten van parelen te gaan,want we behoren tot een uitgelezen gezelschap." Hoe staat het met u, jonge man?" Vanaf het moment dat ik van gezicht tot gezicht stond met deze mensen, werd ik mij bewust van een zekere intuïtieve afkeer van hen. Bij deze woorden werd mijn afkeer nog versterkt. Zonder aarzelen vroeg ik: Bent u daar zo zeker van?

"Heel zeker. Hebben we niet de belofte van God? Wij stonden zeer vast in ons geloof. De gelovigen zullen zeker hun beloning vinden. Wij hebben onze zielen geheiligd voor God; Wanneer iemand eens door geloof geheiligd is, valt hij niet in ongenade.

Juist zoals ik ben, verwacht ik, dat mijn ziel zonder enige voorwaarde bevrijd zal worden van elke smet, omdat uw bloed voor mij vergoten werd.

Dit citeerde hij in vooringenomen vervoering. " Geloof - geloof; dit éne grote woord verklaart alles. Jonge man, ik merk dat u zonder geloof bent."

"Ik vrees dat ik dat ben," gaf ik ten antwoord, zonder nederigheid, beledigd door de vrijheid, die hij zich met dit oordeel veroorloofde.

Daarop wendde hij zich tot zijn makkers. Met luide stem van een vermaner zei hij:

"kom, lieve broeders en zusters, laat ons een ziel meer tot God brengen. Oh, gedachteloze jongeman, bekeer je tot Jezus! Bekeer je, zondaar, bekeer je!"

Als antwoord op dit allemaal groepeerden zij zich rondom me heen en begonnen met een vurig enthousiasme een treurig kerkgezang te zingen. Zeer onbehagelijk voelde ik me, zowel geestelijk als lichamelijk. He leek, alsof ik moeilijk kon ademen. Er waren echter niet genoeg van hen, die mij de adem konden ontnemen. Niettemin werd ik bevangen door lichamelijk lijden. Nu wrong ik mij door die groep heen en was vrij.

"Ik bid u, laat me met rust!", schreeuwde ik. Maar nog drongen zij onstuimig achter me aan, terwijl zij met verdubbelde energie zongen. Toen zette ik het op een lopen, maar stopte bij een plotselinge gedachte.

"Waarom verknoeid u uw tijd ?"riep ik. "Jullie vergeten dat jullie je eigen intrede in de Hemel vertragen."

Dit hield hun opmerkzaamheid meteen gevangen. " Hij heeft gelijk," zei de geestelijke, zichzelf onderzoekend. "Laten we niet dralen. Onze met sterren versierde kronen wachten op ons - laten we verder gaan en ze ontvangen. Hoewel, jonge man, je mag ons tot aan de poort begeleiden." voegde hij daaraan toe. Het zal dienstbaar zijn aan je ziel, wanneer je ons de gezegende verblijfplaats ziet binnen gaan."

Allen draaiden zich om en haastten zich voort, zoals tevoren, met gespannen gelaat, vol vurig verwachten. Zij hadden me grote angst bezorgd. Van ganser harte blij, was ik toen van hun gescheiden. Maar ik voelde me prompt zeer nieuwsgierig en volgde hen, tenminste, een tijdlang, om te zien wat er van hun werd. De geestelijke maakte verschillende opmerkingen tijdens het voortgaan. Door de veroorzaakte afstand tussen on was een gesprek moeilijk. Ik vreesde dat zij opnieuw de gedachte zouden krijgen mij te omsingelen, en hield me op een zekere afstand, teneinde een goede kans op ontsnapping te hebben, in het geval zij hun aanval zouden herhalen. Hoewel, ik vroeg en kreeg antwoord op deze vraag:

"Wat verwacht u te doen na uw intrede in de Hemel?"

"Doen ? Wat een vraag! We zullen de zangen van Zion zingen, dat is zeker, en voor altijd leven in volkomen zaligheid. Je bent ogenschijnlijk zeer behoeftig aan onderwijs, jonge man. Heb je nooit gehoord dat de Hemel een plaats is waar de rechtvaardigen na de dood zijn verenigd om God te prijzen, de plaats waar samenkomsten en Sabbath nooit eindigen?"

"Ik ben benieuwd, wat de engel Ariël van deze mensen zou denken," was mijn gedachte. Zij zijn zeer zeker niet klaar voor de Hemel; zij misleiden zichzelf." Mijn overdenkingen werden hier afgesneden, want we hadden nu de top van een glooiende helling bereikt. Voor ons verrees op een kleine afstand een hoge, witte muur van, zoals scheen glinsterende stenen. In deze was een met fraaie torentjes omkransde poort. Mijn begeleiders juichten, toen zij bemerkten dat zij alleen maar door een groen gazon gescheiden waren van, wat zij dachten, zonder twijfel het doel van hun bestemming was. Dankend vielen zij op hun knieën. Een huivering van opwinding en eerbied voer door me heen. Was dit werkelijk de poort naar de gezegende verblijfplaats, en was ik er regelrecht naartoe gegaan, oneerbiedig, twijfelachtig en onvoorbereid?

Nu zag ik een open deur in die poort. Mensen kwamen uit verschillende richtingen en gingen met alle mogelijke haast na binnen. Deze gretigheid, om daar binnen te komen werkte aanstekelijk. Nauwelijks zaten mijn begeleiders op hun knieën, of zij stonden al weer op hun voeten, terwijl zij in vervoering met bijzondere haast voorwaarts liepen. Op de voet volgde ik hen, en zag hoe zij de ingang naar binnen drongen. Sommigen bekommerden zich niet om de rechten van een ander in deze haastige spoed. Bijna allen vergaten hun waardigheid. Intussen wachtte ik, geestelijk totaal verslagen. Terwijl ik dit zo gade sloeg, vroeg een soort portier met grijze baard, waarom ik aarzelde.

"Waarom komt u niet binnen?" vroeg hij hoffelijk, naar het leek verstoord door mijn ongewoon gedrag.

In nog grotere verwarring liep ik langs hem heen en kwam in een ontzaggelijk grote, lage hal. Het uiterlijk deed kaal aan. Hier waren misschien ongeveer twee duizend mensen aanwezig. Deze waren in groepen ingedeeld. Sommigen waren bezig met zingen, anderen met bidden, weer anderen waren aan het prediken of zij luisterden. Het veroorzaakte lawaai was onbeschrijfelijk. Degenen, die zongen hieven hun blik omhoog met wat men zou kunnen noemen, een uitdrukking van overdreven zaligheid. Zij, die naar de predikanten luisterden verkneukelden zich blijkbaar en dronken ieder woord in. Deze sloegen ogenschijnlijk geen acht op het wanluidend, disharmonisch geluid. De predikanten zelf, en degenen, die aan het bidden waren, werden nagenoeg tot waanzin gedreven.

"Wat betekent dit toch allemaal, dacht ik. "Deze mensen zijn buiten zichzelf." Ik herhaalde de vraag luid aan een meneer naast me.

"Het betekent," was het enthousiaste antwoord," dat we nu in de Hemel zijn, waar samenkomsten steeds maar doorgaan en Sabbath nooit eindigt."

Bij deze woorden zonk mij het hart in de schoenen en keek ik vlug over mijn schouder naar de deur. De rest mag de gehele eeuwigheid door in deze opwinding blijven, maar wat mij betreft, ik verlangde ernaar om zo vlug mogelijk te vertrekken. Voor hun moge dit de Hemel zijn, maar het zou nooit een Hemel kunnen zijn voor mezelf. Enige minuten later keerde ik om en zocht de ingang. Tot mijn verbazing werd ik geconfronteerd met een stevige muur. De deur was schijnbaar verdwenen. Met een gebed, vol angst en pijn ging ik terug naar de hal. Daar vond ik een zitplaats en luisterde naar de gemengde geluiden van preken, bidden en zingen, totdat het leek alsof ik doof en versuft en misschien wel krankzinnig werd. Er overviel mij een dodelijk gevoel van verstikking. Dan stond ik op en wankelde langs de muur, biddende om bevrijding uit deze gevangenis. Mijn weg langs de muur rond de halve grote zaal vervolgend, zag ik ineens een kleine deur voor me en rende erdoor.

Nu bevond ik me in een zaal die bijna even groot was als de eerste, waarin veel mensen waren. Hier was geen bidden en preken maar niet minder grote verwarring en een enorm geluid.

Staande aan tafels met verfrissingen, waren sommigen aan het eten en drinken, van een overvloed aan voeding. Enkelen lagen of zaten op banken, naar het scheen, dommelend door een buitengewone vermoeidheid. De meesten van hen stapten rusteloos heen en weer, in discussie over deze situatie. De intense religieuze vervoering van de vorige hal had plaats gemaakt voor ontevredenheid en angst.

Na iets gedronken te hebben aan een van de tafels, voelde ik me prettiger, en ik keek aandachtig om me heen. Ik ging op een bankje zitten naast een oudere vrouw wier aardige gezicht verdonkerd was door diepe neerslachtigheid, en nam de vrijheid haar te vragen naar de reden van haar verdriet.

"Ik ben ongelukkig," zei ze, "omdat ik hier ben opgesloten en niet weg kan. Men vertelde me dat ik, zodra ik wat opgefrist was, weer naar die andere zaal terug moet gaan en mee moet doen met zingen en bidden. Wanneer ik dan weer wil eten, moet ik hier naar toegaan, dan weer teruggaan, enzovoorts, voor altijd. Dit is het leven in de Hemel. Ik heb gedaan zoals mij werd gezegd, maar hoe langer ik hier ben, des te vreselijker het allemaal wordt. Ik ben hier pas achtenveertig uur, maar achtenveertig jaar zouden nauwelijks langer kunnen zijn. Mijn hoofd doet pijn, alleen al bij de gedachte steeds maar naar preken, zingen en bidden te moeten luisteren. Ik zal wel een slecht mens zijn met zulke gedachten, maar ik hoef mijn leven lang geen priester of predikant meer te zien."

"Dacht u dat dit de hemelse gelukzaligheid zou zijn toen u nog in de natuurlijke wereld was?" vroeg ik.

"Ja, maar tot mijn schade bemerkte ik dat dit niet gelukkig maakt. Nu vind ik dit alleen maar ellendig. Als ze mij daarheen willen laten teruggaan, waar al die mensen maar doorgaan en doorgaan," ging zij na een ogenblik verder, "weet ik nog niet wat ik zal doen - ik heb het gevoel dat ik het zal uitschreeuwen en dat ik gek word. Ik zal sterven als ze me hier niet laten weggaan," besloot zij, angstig en verkrampt om zich heen kijkend.

"Ik verwacht dat ze ons hier spoedig laten gaan," was mijn antwoord, "want ik ben tot de conclusie gekomen dat alles hier maar een klucht is, om ons te laten zien hoe ijdel en dwaas onze ideeën over de Hemel zijn."

Een straaltje hoop gloorde in de matte ogen van de vrouw. "Lieten ze me hier maar uit en gaven ze me wat te doen," zei ze peinzend, "kon ik maar aan mijn dagelijkse bezigheden gaan!"

Enige tijd later ontdekte ik, terwijl ik door deze ruimte naar de andere kant wandelde, een deur in de muur, die tot nu toe aan mijn aandacht was ontsnapt. Onmiddellijk liep ik erdoor en ik kwam in een derde hal, die eveneens overvol was. Hier heerste de allergrootste verwarring. De grond was bezaaid met de restanten van fruit en met allerlei kleren. De mensen zagen er slordig en ontmoedigd uit en drongen elkaar ruw opzij. Alle tekenen van religieus enthousiasme waren verdwenen en hadden plaatsgemaakt voor gescheld en gekibbel, vooral verderop waar een deinende menigte stond voor een grote gesloten deur, in de verwachting dat deze geopend zou worden.

Toen ik die kant uitliep, hoorde ik heftig gevloek van de mensen die bezorgd waren uit hun voordelige posities verdrongen te worden.

"Mijn predikant mag zeggen wat hij wil, maar men heeft hier wel zijn waardigheid verloren," dacht ik. Ik deed pogingen me afzijdig te houden, maar kwam weldra in het gedrang terecht. Toen ik probeerde iemand die voor mij stond, te beschermen, ontdekte ik, dat zij dezelfde was als de ongelukkige vrouw met wie ik in de tweede hal gesproken had.

"Ze zullen ons hier nu wel gauw uitlaten," zei ik om haar te bemoedigen. "Misschien worden we wel gestraft voor onze inbeelding, dat we waardig waren om in de Hemel te komen," hijgde zij vrolijk. "U zult mettertijd vast waardig bevonden worden," zei ik bij mijzelf.

Het was waarschijnlijk niet zó lang, maar het leek alsof het al een uur had geduurd, toen de grote schuifdeur opzij geschoven werd. Daarbuiten werd een groen landschap zichtbaar. De menigte drong naar buiten in een brede, bewegende stroom en verspreidde zich in een oogwenk. Sommigen renden weg, als voor hun leven. Eindelijk bevrijd, plofte ik neer op een bank en keek naar de mensen die door de deur drongen en in alle richtingen wegrenden.

Na een korte tijd bemerkte ik dat een van de portiers van de uitgang naast me stond. Hij beantwoordde vragen, die hem door een aantrekkelijke jongeman werden gesteld. Deze was zojuist aan de menigte ontsnapt.

"Wat is dit voor een plaats? Waarvoor dient dit?" was de eerste vraag, die ik hoorde. "Het stelt een denkbeeldige hemel voor, bestemd voor onderricht aan diegenen die menen dat het leven in de Hemel een leven is van nietsdoen," was het antwoord. Zulke mensen worden hier en ook op andere plaatsen samengebracht, alleen maar om hun duidelijk te maken dat zo'n hemel werkelijk een hel is. Nadat dit voldoende in hun geheugen is geprent, worden zij naar buiten gelaten. Ofschoon zij ver uiteen stromen, wordt er voor iedereen gezorgd en leert iedereen wat de Hemel in feite is. Sommigen zijn blij over wat zij vernemen, velen zijn verontwaardigd wanneer hun verteld wordt dat een leven van nietsdoen in de Hemel onmogelijk is. De eerst genoemden lopen onbewust in oostelijke richting, de anderen gaan westwaarts."

"Waarom oostwaarts en westwaarts?

"Omdat de Hemel in het oosten is en de hel in het westen," dacht ik, rondkijkend.

"Kan iemand dan niet zelf naar de Hemel wandelen, door het oosten aan te houden?" was de volgende vraag.

"Nee, de staat van iemands liefden of neigingen bepaalt iemands richting. De nieuw aangekomen geest, die het goede en het ware liefheeft, zal door zijn eigen wil geleid, naar het oosten gaan, maar hij die het boze en valse liefheeft, zal sterk aangetrokken worden door het westen, totdat de hel bereikt is."

Verward stond ik op en liep langs een lichte glooiing naar de oever van een stroompje.

"Ik zal zo teruggaan en aan die man vragen hoe het leven in de Hemel werkelijk is; nu ben ik te moe," dacht ik. Toen ik mijn dorst gelest en mijn gezicht en handen gewassen had, ging ik in het welige, zachte gras zitten. Met onze bevrijding was de dag bijna ten einde, en nu werd het donker. Daar was ik blij mee, want ik verlangde naar rust.

De geur van het gras en de naburige heesters, het tjilpen van een vogel en het geluid van de stroom streelden mijn zinnen, en weerhielden me ervan terug te gaan. De maan verscheen zacht, groots en prachtig aan de hemel, zoals ik het op zomeravonden op aarde gewend was. Terwijl ik daar zo zat te kijken, trok een koele luchtstroom zachtjes langs me heen. Ze deed de blaadjes bewegen, waardoor ik me meer en meer bewust werd van een grote tevredenheid.

Na een tijdje was ik mijn voornemen terug te keren geheel vergeten. Ik ging in het gras liggen en vergat alles in mijn slaap.

 

Hoofdstuk 4 - In een denkbeeldige Hemel

 

Toen ik tenslotte ontwaakte was het ochtend. De vogels zongen in de bomen in mijn nabijheid. Mijn sluimer was gezond en verfrissend geweest. Toen ik bij het opstaan eens om mij heen keek, werd ik mij bewust van een verbazende energie in mijn ledematen. Dit gevoel was zo sterk, dat ik me op dat moment verwonderd afvroeg, of een mars van honderd mijl hetzelfde resultaat zou veroorzaken.

"Wat een verschil met de zwakheid en pijn van de laatste weken!" dacht ik. "En waarvan deze verbazende verandering? Het geestelijk lichaam, ongetwijfeld." Hoe blij was ik om van dat broze lichaam bevrijd te zijn!

Dit vermolmt zonder twijfel snel tot stof, terwijl ik... Is het niet wonderbaarlijk? In de wereld was ik gewend om met schrik te denken aan het rottende lichaam in de aarde; maar nu geef ik er niet meer om dan iemand, die weet dat sommige oude kleren vergaan op een vuilnishoop. En mijn zuster, mijn arme zuster, zij is misschien bezig mijn aardse graf met een kleed van bloemen te verfraaien, terwijl zij tranen schreit, omdat ik dood ben. Dood! Hoe zeer zou ik wensen, dat zij zou kunnen weten, zoals ik, dat zij in de wereld allemaal blind zijn. Blind... blind."

Zo redenerende ging ik naar beneden om water te putten uit de beek. Terwijl ik dronk, kreeg ik in de gaten dat iemand naderde. Opkijkend, zag ik een slanke jonge man met een prettig voorkomen, dicht bij me staan. Hij groette me op een blijmoedige manier. Zijn spraak en manier van doen waren zo vriendelijk als maar kan. Ik voelde me betoverd. "Hier is een aangename persoonlijkheid, om iets te vragen," dacht ik onmiddellijk.

Hij legde uit, dat hij me in het voorbijgaan had gezien en gedacht had, om me aan te spreken, daar ik ook een nieuwkomer uit de wereld was. "Waar gaat u naartoe?" vroeg ik. "Hemelwaarts." "Ik ook."

"Ik stel voor dat we samen gaan," bood hij gretig aan. "Ik denk, dat het niet ver weg is," voegde hij eraan toe.

"Integendeel, ik denk beslist dat het héél ver weg is."

"In ieder geval," voegde hij er vertrouwelijk aan toe, werd ik uit betrouwbare bron geïnformeerd, dat het maar een klein eindje boven ons is."

"Een denkbeeldige Hemel misschien," gaf ik ten antwoord. "Je hebt niet ver te gaan, om er zo een te vinden. Er is er één daar boven op die heuvel. Wat mij betreft, heb ik er genoeg van."

"Ik bedoel niet een van die psalmzingende plaatsen," zei hij een beetje minachtend, hetgeen mij een onprettig gevoel gaf; "Ik bedoel een mooi paradijs, een Eden. Weet je niet wat de Hof van Eden is, waarin de primitieve mens vóór de val leefde? Dat is de Hemel, en daar ga ik naar toe... naar de Hof van Eden."

Deze gedachte boeide me. In de wereld schilderde ik mezelf op een duistere, dromerige wijze, een mooi paradijs en nu werd ik, ondanks de jongste gebeurtenissen sterk beïnvloed door de dingen, die mijn metgezel zei. Hij sprak ver boven hetgeen ik me daarvan had voorgesteld, en met zo'n groot enthousiasme, dat mijn bezwaren verdwenen, en ik stemde ermee in, om hem te begeleiden.

Toen we verder wandelden, vertelde hij me, dat hij in de wereld Downing werd genoemd, en gaf ik hem mijn eigen naam. Zoals reeds voorspeld, was het paradijs dichtbij. We hoefden alleen maar de helling af te lopen naar beneden en dan een andere heuvel op, om een ommuurde tuin te zien, ogenschijnlijk eindeloos uitgestrekt en van een grote schoonheid.

De ineengestrengelde boomtoppen hadden dat frisse, betoverende groen van het vroege voorjaar, dat soms te mooi schijnt om waar te zijn. Deze bomen waren behangen met veelkleurige wingerd en begroeid met mossen, zoals ik nooit eerder had gezien. Blij met onze eerste indruk, zochten we ijverig naar de ingang. Zonder vragen werden we toegelaten. Verdiept in het aangename uitzicht voor ons, kreeg ik ineens een verre voorbijgaande ingeving, dat een zó snelle toegang tot de Hemel zelfs met een tamelijke waarschijnlijkheid moeilijk te verenigen was.

De tuin was inderdaad mooi. Volgens ons onderzoek was de tuin een opeenvolgende aanplant van fruit en lommerrijke bomen van een niet te bepalen verscheidenheid. Hier en daar waren met bloemen bezaaide gazons. Daar tussen door liep een smalle, heldere beek of stroom. Er was volop fruit, zodat hetgeen gevallen was de grond overal bedekte. We zagen enkele jonge mensen, die zich vermaakten met daarvan hoopjes te maken. Downing en ik kozen uit , wat we graag wilden eten en gingen ontbijten. Later zochten we naar iets waarmee we ons konden vermaken.

Later in de morgen sloten we ons aan bij een groep jonge mannen en vrouwen, die met veel pret spelletjes deden op een gazon met bloemen. Rondom hen heen waren veel tuinstoelen opgesteld door personen van middelbare en oudere leeftijd, die met een bemoedigende glimlach naar ons keken. Bij het naderen begonnen muzikanten te spelen op harpen en fluiten. Op dezelfde manier keken we met interesse hoe jongens en meisjes dansparen vormden. Hoe de naam van die dans was kon ik niet verstaan, maar me hierop bezinnend, noemde ik dit de "Bloemendans van behaagzieke mensen", waarvan verschillende uitvoeringen bestonden; deze dans onderscheidde zich van andere doordat de jonge vrouwen telkens hun partners verlieten voor een ander, dit alles tot genoegen van de toeschouwers.

Alle jonge meisjes droegen om hun arm kleurige banden van rozen. Eén daarvan werd op het hoofd van de nieuwgekozen partner geplaatst voordat deze opstond om met haar te dansen. Intussen werd de vorige partner aan zijn lot over gelaten.

Gedurende deze dans bemerkte ik tot mijn verbazing, dat een van de stoelen naast me bezet werd door de geestelijke die ik de vorige dag naar de denkbeeldige hemel gevolgd was. Ik zou hem waarschijnlijk niet opgemerkt hebben, als niet een van de flirtende jonge vrouwen hem plotseling uitgekozen had en zonder meer een krans van rozen over zijn hoofd had geworpen.

Toen hij glimlachend en blozend opstond, hoorde ik hem zeggen: "Ik heb steeds gedacht dat dansen een verschrikkelijk iets was, maar als ze dit in de hemel doen..." De rest ging verloren toen hij weg wervelde met zijn arm om de leest van het jonge meisje. Intussen kreeg hij veel aandacht naar aanleiding van de snelheid van zijn voeten, zeker gezien de voor het dansen ongemakkelijke lengte van zijn benen.

Een van de lieflijkste dansende meisjes, die ik Flora noemde, had de aardigheid om me verschillende keren vriendelijk te benaderen. Haar ogenschijnlijke voorkeur was zó duidelijk, dat ik me opgelaten voelde en mezelf zag als een trotse leeuw. Telkens wanneer zij de rozenkrans om mijn nek legde, voelde ik me bedwelmd van plezier, tot er op het laatst, toen ik dansende mijn arm om haar heen legde, iets in mijn borst bewogen werd, hetgeen mij verbaasde. "Wees voorzichtig, Oswald Burton, of je wordt op staande voet verliefd," zei ik glimlachend tot mezelf. Deze aardige kleine Flora is zonder meer betoverend, maar is zij de soort vrouw die jij voor jezelf gedacht had?"

Met deze interessante afleiding was de dag snel voorbij gegaan. Lang na het vallen van de nacht, en nadat de vrolijke meisjes zich met hun begeleiders hadden teruggetrokken, zochten Downing en ik een plaats om te slapen. We kozen een met bloemen begroeid grasveld, vol zoete geuren. De lucht was beladen. Er heerste volkomen stilte. Hier had ik voor het eerst een vaag, ontevreden gevoel. Een bed met rozen is in je verbeelding een zeer aangenaam iets om in te slapen, maar in werkelijkheid is het minder gemakkelijk dan de duurste slaapbank. Mijn klachten maakten echter geen sympathie wakker bij Downing, die zich met alles volkomen tevreden voelde. Daarom zei ik niets meer en lag een lange tijd wakker, terugdenkend aan de vreemde situatie.

Met de dageraad waren alle zorgen verdwenen. Vroeg op, sloten we ons aan bij de vrolijke mensen en de vreugden van de vorige dagen, die zich herhaalden in afwisselend plezier. Zo ging nog een dag voorbij, en nog een en nog een. Met ontspanning, praten, spelen, dansen, zingen en feesten ging de tijd voort. Er bleek geen grens te zijn in gelegenheden om pret te maken, temidden van dit vrolijk gezelschap. Wat kon een mens meer verlangen dan een zorgeloos, idyllisch bestaan? Alleen in de nacht zouden de zorgelijke gedachten komen. Het licht in de lucht vond ik hinderlijk. Het was moeilijk om de ogen gesloten te houden.

Wel kwam ik tot de conclusie dat het schemerig blauw, met sterren bezaaide hemelgewelf iets leuks was om naar te kijken, maar pijnlijk om onder te slapen. De sterren schenen me aan te klagen, terwijl ik steeds maar zei: "Wat doe je, Oswald Burton? Hebben de laatste belevenissen je niets geleerd? Ondanks alle onderwijs dat je hebt ontvangen, ben je bezig je tijd met dwaasheid te verdoen." Niet dat we altijd onder de sterren sliepen, want mettertijd begonnen de grazige bedden hinderlijk te worden. Daarom gingen we verder de tuin in, waar we overdekte paviljoenen vonden, met meer gemak en behaaglijkheid.

Maar nu vervolgden me ook overdag de kwellende gedachten. Zonder ophouden werd ik door die vrolijkheden afgeleid. Zelfs het fruit, eens zo kostelijk, voldeed niet langer aan mijn smaak. Gaf dit lieflijke paradijs reeds zo spoedig een teleurstelling te proeven? De rijke, groene begroeiing, de lange slingerende paden, de bloemen, de stromen en meren werden hinderlijk voor mijn ogen. Hoe dom en eenvoudig was dit allemaal. Was deze prachtige zeldzame tuin uit mijn gezichtsveld verdwenen, of was de verandering, helaas, alleen maar in mijn wispelturig hart? In de morgen van de zevende dag stond ik op met een kwellende geest, maar met het vaste voornemen om verder te gaan. Deze plaats zou me nooit bevrediging kunnen geven.

Nu nam ik dan afscheid van dit vrolijke volk en verliet hen. "Ik zou ook van Downing afscheid moeten nemen," dacht ik, "we passen niet bij elkaar." Hij vond echter dat hij mijn beslissing niet kon delen en stond erop mij te vergezellen. Toen we verder gingen was het zijn vaste wens om me van de koers af te brengen die ik wenste te volgen. Zijn overtuigende macht was opmerkelijk. Ik voelde dat hij mij volkomen kon doen omzwaaien, me dwingen kon om alles te zien zoals hij het zag. Steeds minder voelde ik me op mijn gemak bij de gedachte om bij hem te blijven.

Een keer stelde hij voor dat we ons naar de andere kant zouden begeven om ons aan te sluiten bij een gezelschap van stoeiende, beschamende jonge vrouwen. "Nee", zei ik, "ik houd er niet van zoals zij er uitzien."

"Je houd niet van schoonheid," riep hij uit. "Kom Burton, je maakt gekheid. Wat zou je zeggen als ik je vertelde dat je lieflijke Flora onder hen was ?" Dit was moeilijk te weerstaan, maar ik antwoordde: "Dan is zij niet zoals ik heb geloofd dat zij zou zijn." De jonge man keek me aan en ik voelde me geschokt. Indien ik me niet had omgedraaid en vastbesloten verder was gegaan, was ik bezweken, daar ben ik zeker van.

Later op de dag gebeurde er iets vreemds. We pauzeerden om te rusten, en ik was onder een boom gaan liggen. Toen ik ontwaakte, zag ik Downing dichtbij in het gras zitten kijken naar een voorwerp naast mij. Hij was zó geabsorbeerd, dat mijn open oog niet zijn aandacht had, hoewel het zeker was dat hij me als het ware bewaakt had. Eerst dacht ik dat hij iemand anders was en meende het niet goed gezien te hebben. Zijn trekken waren dezelfde, maar zijn gewoonlijk heldere, vriendelijke blik was veranderd in een donkere, onheilspellende, boosaardige uitdrukking, de meest duivelse die ik ooit had gezien. Me op mijn voeten worstelend, schreeuwde ik met afschuw: "Downing, wat betekent deze verandering?" Hij huiverde als door de wind en stond op, met trillende handen en verwrongen gezicht. "Welke verandering ?" vroeg hij, glimlachend. In het begin scheen zijn glimlach spookachtig, spottend. Zodra hij zijn ogen op mij richtte, schenen zijn trekken kalmer te worden en keerde zijn oude uitdrukking terug. "Het is niets," zei hij: "Je hebt gedroomd." "Ik heb niet gedroomd," antwoordde ik.

We keken elkaar strak aan, totdat zich een onprettig besef van zijn sterke overredingskracht en mijn eigen slapheid kenbaar maakte. Desondanks vocht ik ertegen en zei: "Ik denk dat we uit elkaar moeten gaan, maar hij hield me door zijn blik vast. "De tijd is nu gekomen," zei ik. "Oh nee! Wij zullen niet uit elkaar gaan," zei hij. Ik was machteloos. In mezelf schreeuwde ik luid om bevrijding uit deze vreemde betovering.

Plotseling merkte ik dat iemand, een vriendelijk persoon, me van achteren was genaderd, om de aandacht van Downing af te leiden, want deze keek naast me of achter me, op een wilde, nieuwsgierige manier, met angst en haat in zijn ogen. Plotseling begonnen zijn trekken te krimpen. In een moment losten zij zich op en kregen het verschrikkelijke voorkomen dat zij hadden toen ik voor het eerst ontwaakte. Waarschijnlijk machteloos om de worsteling vol te houden, deinsde hij terug, rende gillend en vloekend weg en verdween tussen de bomen uit het gezicht.

Ik draaide me nu om en keek naar mijn beschermer, maar zag niemand. Ik was vrij, maar alleen. Was het dan een engel, die net zo stil was vertrokken als hij gekomen was, omdat ik zijn aanwezigheid niet kon verdragen? Bevend van opwinding, haastte ik me voort, intussen terugblikkend op het vreemde van mijn lotgevallen. Nu geloofde ik dat ik wel alles begreep.

Ondanks mijn ontvangen instructie had ik mezelf veroorloofd, om me in een andere denkbeeldige hemel te laten brengen, deze keer door een slechte geest, vermomd in een mooie gedaante. En een engel, die handelde naar de wil van God had me door zijn tussenkomst gered, en de macht gebroken, die zich van mij meester trachtte te maken. Hij haalde me weg. Eerbiedig en nederig fluisterde ik in mezelf, "Hoe goed en barmhartig is God voor zulk een onwaardig mens als ik."

De afscheidswoorden van de engel Ariël rezen in mijn herinnering en beschaamden me. "Je moet nu verder gaan, je verzoekingen tegemoet. Het zal het werk zijn van goede geesten om je naar de Hemel te leiden, terwijl de bozen proberen je naar de hel te drijven. Al naar gelang je liefden en aandoeningen, die zich in de wereld hebben gevormd zul je neigen tot het ene of je verbinden met het ander." Deden deze ernstige woorden niet reeds een appèl op mij en trokken zij soms een voor mij vreselijke conclusie? Had ik me niet afgewend van de engel Ariël, omdat ik ongelukkig was in zijn nabijheid? Zou ik me verbonden hebben met een kwade geest, in wiens nabijheid ik meer op mijn gemak was?

 

Hoofdstuk 5 - De stad van de Nieuw Aangekomenen

 

Na een tijd merkte ik, dat de grens van het paradijs bereikt was. Nu zag ik veel mensen, die deze omgeving niet langer konden verdragen, en wier voornaamste wens het waarschijnlijk was, om daaruit bevrijd te worden. Sommigen, nog meer terneergeslagen, hadden zich ter aarde geworpen en jammerden over hun noodlot. Toen ik een gesprek met hen begon, vertelden zij, dat zij niet minder dan tien dagen in de grote tuin waren geweest, en reeds sinds lange tijd een afkeer hadden bij het blote zien van dat groene gebladerte. De vele soorten vruchten, als zij die zagen, en die eens zo kostelijk smaak waren, werden nu met weerzin verworpen.

"Er is daar een poort, die vermoedelijk een uitweg is uit deze afschuwelijke plaats," voegde een van hen korzelig toe, "maar wat heeft een poort, die zich nooit opent voor nut ? Het is net goed voor ons, wier noodlot het waarschijnlijk is, gekweld te worden totdat we krankzinnig zijn."

Nauwelijks waren deze woorden geuit, of sommigen van hen, die in de verte stonden,kwamen in onze richting naar ons toe en riepen blij, "De poort ! Zij is open !"

In een tel waren de vertwijfelden onder ons opgestaan. Zij wrongen zich door het kreupelhout, en renden, met halsbrekende toeren het gazon over. Elke laan was ineens vol leven, met zich haastende mensen. Nauwelijks was de poort in zicht, of een grote stroom van hen werd naar buiten gedrongen. Me zonder haast voorwaarts bewegend, stond ik aan de buitenkant van de menigte, en ging als een der laatsten door de poort.

Ik had besloten om aan de bewaker van die poort, die klaarblijkelijk een intelligent persoon was vragen te stellen. Terwijl de luide menigte zich her en der verspreidde, klampte ik hem aan. Ik bespeurde dat hij zeer genegen was om te praten, en vertoefde toen meer dan een uur in zijn gezelschap. Aan hem vertelde ik mijn belevenissen in het pseudo-paradijs en stelde hem vele vragen. Hij verzekerde me dat dit uitgestane leed in deze denkbeeldige hemelen niet bepaald verenigbaar was met de Goddelijke Barmhartigheid. Valsheden in het geloof, die zich reeds lang bevestigd hadden, zonder die levende ondervindingen, en de pijn en het lijden, die deze inhielden, niet konden worden ontdekt. De man Downing was ontegenzeggelijk een van die overredende, slechte geesten, die zijn levensliefde vond in het verleiden tot het boze, aan de nieuwelingen. Zo probeerden zij hen op het verkeerde pad te brengen. Zulke kwade geesten hebben waarschijnlijk nog niet iedere schijn van het goede afgelegd. Zij zijn nog niet helemaal gereed om in de hel opgesloten te kunnen worden. Deze mogen de vrijheid behouden om diegenen, die zich voorbereiden tot de Hemel, door verzoekingen te zuiveren. Sommigen van die behaagzuchtige bloemendanseressen waren zonder twijfel onschuldig, en vroegen alleen om verzoekingen en onderwijs, om hen te genezen van de neiging tot onschuldige koketterie, maar velen waren lichtekooien in hun hart. Enkelen waren misschien het evenbeeld van Downing, die iemand in verzoeking mogen brengen, om zo het innerlijk boze uit de goeden te verdrijven. Op deze manier werden zij overwinnaar voor het nut, ofschoon zij zelf al wat goed was gingen verliezen.

"De innerlijk goeden," zei hij, " zijn altijd blij om te kunnen leren dat het echte hemelse leven iets geheel anders is dan een leven van nutteloos gemak, dat zij zo dwaas gedacht hadden voor zichzelf.

"Wilt u me iets vertellen over het leven in de Hemel," vroeg ik.

Mij werd toen uitgelegd, hoe de Hemel een koninkrijk van nutten is, waar iedere engel vanaf de laagste tot de hoogste gelukkig is verbonden met een of andere taak, waarvoor hij geschikt is en een, die goed is voor het gezelschap. Deze taken zijn ontelbaar, nog veel talrijker dan alle verplichtingen op aarde; want de Hemel is geen plaats van nietsdoen, maar waar alles wordt gedaan - dat wil zeggen alles was onschuldig en nuttig is. Het is een plaats, waar herboren en verbeterde mannen en vrouwen tezamen werken in onuitsprekelijk geluk. Zij prijzen God inderdaad onophoudelijk in hun hart. Alleen op gezette tijden brengen zij hun tijd door in gezelschap. Intussen vervullen zij hun dagelijkse plichten zoals in de wereld en geven zich over aan verrukkelijke ontspanningen.

"De liefde, om in de stroom van de Goddelijke Voorzienigheid en naar de Goddelijke Orde te leven, met liefde en nutten voor de ander, dat is, een engel te zijn in de Hemel," zei hij tenslotte.

"Het is belangrijk," zei de portier verder, voor geesten met goede neigingen, om enige bezigheden te kiezen en te leren om serieuze plichten getrouw en goed te vervullen, niet in de hoop op beloning, maar uit liefde tot God en de medemens. Op die wijze zullen zij zich sneller voorbereiden voor hun uiteindelijk tehuis. Het nut is het werkelijke leven in de Hemel, evenals nutteloosheid en genotzucht het leven vormen voor de hel."

"Hoe kan ik een bezigheid kiezen?" vroeg ik twijfelachtig. "Waar zal ik het kunnen vinden ?"

"Ga alleen maar verder met de ernstige wens, en u zult vinden wat voor u het meest geschikt is om te doen."

Met deze opmerking stond hij plotseling op van de bank, waarop we zaten. Na een aarzeling vertelde hij me dat hij een sein van boven had gekregen, dat het tijd werd om de poort opnieuw te openen. Dan bemerkte ik dat een verse stroom mensen zich binnen de omheining had verzameld. Sommigen van hen vochten voor een gelegenheid tot een vermoedelijk voordeel, terwijl anderen vergeefse pogingen deden om door de poort heen te dringen.

Ik stond stil en keek hoe de portier bedaard naar voren ging. Na een klein ogenblik zwaaide de poort terug , en wrong de menigte zich al dringend, en zich onstuimig voortbewegend, door die poort, en verspreidde zij zich als tevoren. Het gedrang, het vechten en ook de met geweld aandoende haast en het kwaad gewauwel van de aanvallers zouden me gewoonlijk hebben doen lachen. Ik was echter te serieus in gedachten verloren om gemakkelijk afgeleid te zijn. De gevoelloze mensen schenen mij toe als de gedachteloze wereld, waar we allemaal vandaan waren gekomen.

In korte tijd waren allen, die bevrijd waren, uiteen gegaan, behalve twee of drie, die in gesprek bleven met de poortwachter. Benieuwd naar alles wat gezegd zou worden, ging ik dichterbij staan. Tot mijn grote verrassing vond ik onder hen niemand anders dan de geheiligde geestelijke, die ik twee keer eerder had ontmoet. Wat deze, in antwoord op zijn vragen te horen kreeg was blijkbaar niet plezierig, want toen ik dichterbij kwam hoorde ik hem met luide, kwade stem zeggen:

"Nadat ik me moeite heb getroost om zó veel jaar mijn geloof te behouden, terwijl ik mezelf bijna alle geneugten van het leven heb ontzegd, nadat ik eerlijk mijn met sterren bezaaide kroon heb verworven en het recht op de hemelse rust heb verdiend, gaat u me nu vertellen dat de hemel een werkplaats is!"

"Het is niet mijn schuld, wanneer u dit niet leuk vind," zei de poortwachter mild, maar met waardigheid. "Ik spreek alleen de waarheid, zoals me geleerd is vanuit de Hemel."

"Ik weiger dit te geloven !" schreeuwde de ander, in toorn, zich omdraaiend en eraan toevoegend: "Ik zal doorgaan met zoeken, totdat ik de Hemel van mijn geloof heb gevonden. Indien die niet te vinden is, ben ik bedrogen, en niemand behoeft me meer over een God te praten. Het gelaat van die man was erg weerzinwekkend, toen hij deze bittere woorden zei. Het gezicht van de poortwachter was echter een slaand contrast, waardig, mild en vredig en levendig door een edel oogmerk. Uit eerbied voelde ik een beetje kippenvel over me kruipen, toen ik naar hem keek. Was hij een engel ? Als ik gedurfd had, zou ik het hem hebben gevraagd, wanneer we alleen waren. Zeker, door zijn uitstraling en zijn spreken scheen hij me edel genoeg, en, al was hij nog geen engel, dan zou hij er spoedig een zijn.

Gedurende een verder gesprek vertelde hij me dat niet ver hier vandaan een dicht bevolkte stad was van mensen, die pas aangekomen waren. Het zou niet veel tijd vergen om daar te komen, als ik die grote weg zou volgen, die hij me aanwees. Met een vriendelijke uitdruk van goodwill zei hij me tot ziens, en we gingen uiteen.

Na een half uur gaans door een prettige, heuvelachtige streek, gescheiden, door bossen en gecultiveerde velden, bevond ik mezelf aan de rand van een grote stad. Deze had in alle opzichten het aanzien van grote steden in de natuurlijke wereld, die mij vertrouwd was. De straten waren geplaveid en de huizen waren gebouwd, zoals gewoonlijk, sommige van baksteen of steen, en weer anderen van hout. Het was laat in de middag, toen ik aankwam. Mensen doolden door de straten en parken, enkelen reden, en anderen zochten plaatsen van vermaak. Oudere mensen zaten voor de vensters van de meeste huizen en keken naar buiten, zonder iets te ondernemen. Alles drukte een vakantiestemming uit. De winkels en boetieks waren druk met hun zaken doen.

Tenslotte, beu van het wandelen door de straten, ging ik een herberg binnen en bestelde een lichte maaltijd. Ik dronk een glaasje wijn toen drie beschaafd uitziende jonge mannen binnen kwamen. Zij namen plaats aan een tafel in de nabijheid. Het spel van de uitdrukkingen in hun gezicht was interessant. Ik draalde een weinig, en luisterde naar brokken conversatie die ik vaak opving. Een van hen, de vrolijkste van de drie, onderscheidde zich door fijne trekken, hoffelijke manieren en een spontane oogopslag, die waarachtigheid en eerlijkheid scheen uit te stralen. Dit werd nog verhoogd door een aardige naam, Alaric Mortimer. De andere twee waren uiterlijk niet bepaald onaantrekkelijk, maar ik voelde me niet op dezelfde wijze tot hen aangetrokken.

Na hun maaltijd genuttigd te hebben, werd nog meer wijn en een pak met kaarten binnen gebracht. Nadat hij naar me had gekeken, nodigde Alaric Mortimer me uit, om een spelletje kaart met hun te spelen. Wat we speelden kon ik niet herkennen, maar het was productief, en kameraadschappelijk, bovendien onderhoudend. Met vurig animo begon ik het spel en toonde ik meer resultaat als ooit tevoren. Hier op terug blikkend was het duidelijk, dat mijn eigenschappen actiever en sterker waren, sinds ik van de natuurlijke wereld af was.

"Ik stel voor dat we vanavond naar het toneel gaan," zei Mortimer, nadat we een tijdje gespeeld hadden. "Ik weet een plaats, waar je prachtige muziek kunt horen en mooie dansen kunt zien. Een poëtische pantomime, geen ballet, zei hij. Hij glimlachte naar zijn twee vrienden, die hij Jack en Percy noemde, en dan, al pratende, ook naar mij.

"Ik ga liever naar het volkstoneel," antwoordde Jack vlug.

"Geef mij maar de klassiek," zei Percy." " We kunnen een Griekse tragedie zien , ergens niet ver hier vandaan."

"Hoe wonderbaarlijk is het," zei ik, "Hier alles te vinden zoals in de natuurlijke wereld! Nu, wat zouden we anders moeten vinden. De waarheid is, dat mensen in de natuurlijke wereld er op zijn hoogst maar half geloven in een andere wereld, en daarom hiervan maar de vaagste idee koesteren."

"Hier bemerkte ik, dat Mortimer goudeerlijk en begrijpend naar me keek, maar dat op de gezichten van de twee anderen een uitdrukking van verrassing en minachting lag, die niet bepaald bemoedigend was. Toch vatte ik moed om te zeggen:

"Ik ben benieuwd of drama's ook in de Hemel worden vertoond."

"Alaric, hij is een man naar je hart! riep Jack," schuddend van het lachen. "Hemel, dat schijnt heden ten dage absurd," zei hij, zich herstellende "Dit geleuter over een verdichtsel met een voorstelling van een zogenaamde "hemel van geëxalteerde oude wijven fabels is altijd al een vruchteloos werk geweest," lachte Percy.

Op een niet al te vriendelijke manier keek ik intussen naar hem. Dat was dan hun mening, ik benijdde hen niet.

"Jij bent aan de beurt," zei de laatste spreker, met een zeker ongeduld, en keek naar me.

Op goed geluk gooide ik een kaart en zei niets meer. We vlogen er doorheen. Toen het spel uit was, stond ik op, alsof ik weg zou gaan. Alaric Mortimer stond eveneens op.

"Ik wil graag met je over de Hemel praten," zei hij, met een zeker verrukkelijk verlangen, dat me trof.

Onwillekeurig bewogen we onze stoelen iets apart. De twee andere zetten het spel voort.

"Weet je," begon mijn metgezel ernstig, "ik zag op een dag een engel - of, het is te zeggen, een mooie, prachtige vrouw, die me vertelde dat zij aan het einde van haar voorbereiding was gekomen en binnenkort als een engel naar de Hemel zou gaan. Deze vrouw was mijn eigen lieve moeder, die zes jaar vóór mij overleed. Ik vertelde dit aan Jack en Percy, maar zij lachten alleen maar en zeiden, dat ik had gedroomd.

"Laat ons gaan zitten," zei ik.

"Maar het was geen droom. Nooit van mijn leven was ik zó nuchter. En, och, zij sprak zulke lieve woorden, en vertelde me zó veel, wat ik graag wilde weten. En, tussen haakjes, zij had gehoord, dat er toneel en alle andere soorten vermaak was in de Hemel. Zij vertelde, dat de engelen in de morgen hun dagelijkse plichten vervullen. In de middag en in de avond zoeken zij ontspanning in gezelschappelijk verkeer. Zij rijden, wandelen en bezoeken gelegenheden met toneel, concerten en dergelijke. Zij zei echter dat in hemels toneel nooit iets slechts werd gepresenteerd."

"Het is moeilijk te begrijpen, hoe dit zo kan," zei ik, "maar niet moeilijk om te zien hoe enige sterke invloed verkregen kan worden, in feite, hoe een toneeldrama vertoont kan worden, als alle karakters goed zijn.

"Een mooie en harmonieuze onthulling, gelijk de ontvouwing van een bloem, misschien," zei Alaric. Ik ben blij dat ik kennis met je mocht maken," ging hij verder. "Ik kan met Jack en Percy niet over zulke dingen praten ™zij lachen me steeds uit. Je moet weten, zulke kerels willen daadwerkelijk redeneren tegen de mogelijkheid aan een leven na de dood, en trachten te bewijzen dat we nog in de natuurlijke wereld zijn."

"Ik weet niet hoe het met jou is," zei ik na een uitroep van verbazing," maar ik acht het verstandiger, om met zulke mensen niet te veel te doen te hebben. Wat een krankzinnigheid!"

"Het zijn altijd goede vrienden van mij geweest," antwoordde hij met een twijfelachtige uitdrukking." Behalve, als we beginnen over de Hemel en zulk soort dingen te praten, zijn het de meest prettige mensen en ik - werkelijk, ik zou niet weten hoe ik ze op zou kunnen geven."

"Op een dag zal het duidelijk worden, dat zij niet zulke goede vrienden zijn als je misschien zou denken. Een mens kan niet reizen in gezelschap van Atheïsten. De diepe duisternis, waarin zij tasten, zal mettertijd in hun geest al het licht uit de Hemel verduisteren. Hoewel, toen later op de avond het voorstel, dat ons gezelschap naar een toneel voorstelling zou gaan, werd herhaald, stemde ik in. Het volksdrama werd gekozen. Het bleek, dat het toneelstuk hoogst interessant was en het werd bijzonder goed gespeeld, maar liet een verre van aangename indruk achter. Ik vond het nooit prettig om terneergeslagen te zijn na zulke hedendaagse drama’s, waar de verleiding van een jonge vrouw werd geschilderd, die aan haar echtgenoot werd ontnomen, of omgekeerd. Zo een schilderij is de schildering van de hel.

Kort na de uitvoering gingen we met ons allen terug en logeerden in de herberg.

 

Hoofdstuk 6 - Vreemde Lotgevallen

 

De volgende morgen was het zondag en hoorde men op het gewoonlijke uur de kerkklokken luiden. Tot mijn verrassing stelden de andere twee voor om samen ernaar toe te gaan, toen Alaric en ik erover spraken om samen naar de dienst te gaan.

"Oh, lachte Percy, en legde ons uit en zei, "we gaan alleen maar voor de pret." "De tegenwoordige moderne kerk is niets anders dan en andere vorm van een theater en de gehele wereld gaat alleen maar voor afleiding, uitgezonderd, natuurlijk, enige onder hen, die erg simpel en onbeschaafd zijn."

Vredelievende Alaric voorzag hier een vinnig antwoord van mijn kant en veranderde van onderwerp. We begaven ons op straat. Nadat we een paar keer rond het plein hadden gelopen gingen we een lang mooi stenen kerkgebouw binnen. De kerk was helemaal gevuld met goed geklede mensen van hogere klasse. De preek verschilde in wezen niet van andere, zoals men die in de wereld te horen kregen. Het doel van de geestelijke scheen niet te zijn om te onderrichten, om de toehoorders door het ware naar het goede des levens te leiden, maar voor het onderhouden van het publiek, hen te amuseren, waarbij hij aangename zelftevredenheid zou verkrijgen. Hij sprak over de grote en prachtige dingen die mensen hadden gedaan voor het altaar van de menselijkheid, maar hij verspilde geen woord aan de verdorven en slechte liefdes, die het mensdom aan zijn hart koesterde, waarvan het afgetrokken moest worden, eer het hemels zou kunnen worden.

Tenslotte stond ik verontwaardigd op en verliet in begeleiding van Alaric de kerk, tot groot vermaak van zijn twee vrienden.

"We zijn hier allemaal in de geestelijke wereld," begon ik. De Hemel is aan de éne en de hel aan de andere kant en ons eigen probleem is, om ons van het kwaad te zuiveren, dat ons nog steeds gevangen houdt, om ons voor ons uiteindelijk tehuis gereed te maken. Die man daar boven op die preekstoel praat over stoommachines, drukpersen en handenarbeid!"

"Misschien weet hij niet beter."Hij zou beter moeten weten. Ariël, de engel waarmee ik na mijn opstanding sprak, zei dat aan iedereen verteld werd waar hij was en bovendien van de voorbereidende ondervindingen die we moeten ondergaan. Alle onkunde is daarom opzettelijk."

"Het schijnt dan," zei Alaric, "dat zulke mensen in hun verharde staat snel vergeten wat hen geleerd is en spoedig terug vallen op hun gedachten en gewoontes die zij in de natuurlijke wereld hadden.

"Ongetwijfeld is dat zo, gaf ik toe: "de zaak schijnt voor zulke mensen hopeloos. Indien zij volharden met weigeren, om aan hun boze dingen te denken en te trachten om ze niet te doen, zullen zij er tenslotte een slaaf van blijven."

Gedurende ons gesprek slenterden we door de straten en bevonden ons nu voor een grote kerk van steen. Uiterlijk was deze bijna dezelfde als de vorige. Nieuwsgierigheid spoorde ons aan om binnen te gaan kijken. Onmiddellijk werd ik getroffen door het gezicht van de dienst doende predikant. Een verdere onderzoekende blik maakte me duidelijk dat ik het bij het rechte eind had. Het was dominee Sebastian Boniface, die pastoraal verbonden was aan de kerk in de buurt van ons landhuis in de natuurlijke wereld.

Een paar maanden vóór mijn laatste ziekte was hij gestorven. Ik kende hem niet intiem, maar hij had mijn respect afgedwongen door zijn onvervalste integriteit en onkreukbaarheid, waarvan ik meer dan eens gehoord had.

"Laat ons hier naar binnen gaan; ik ken deze prediker," zei ik.

Wij zagen, dat mensen uit allerlei klassen vertegenwoordigd waren. Waarschijnlijk waren de meesten daar bijeen gekomen om zich te vermaken. In de achterste kerkbanken zat een behoorlijk aantal gespuis, waarvan velen van hen openlijk commentaar gaven op alles wat er gebeurde. Zij spraken in luid gefluister, onderbroken door ingehouden gelach. Degenen, die iets meer vooraan zaten, gedroegen zich behoorlijk en zij schenen diep geïnteresseerd in hetgeen zij vanaf de kansel hoorden. Toen we plaats namen, zei de dominee; "na de eerste schok van verbazing zijn de nieuw aangekomenen in de geestelijke wereld geneigd om te vergeten waar zij zijn. Zij hebben de neiging om in hun vroegere gewoontes en manier van denken en handelen terug te vallen. Zij maken zich geen zorgen om de taak die voor hen ligt. Goede vrienden, we hebben ons uiteindelijk tehuis nog niet bereikt, hetgeen onveranderlijk voor ons is weg gelegd. Deze eerste staat in ons eeuwige leven is voorbijgaand. We zijn hier om ons voor de Hemel voor te bereiden of voor de hel. Laten we dit dan ook gaan doen. Tot diegenen, wier leven in de wereld zodanig is geweest, dat zij nu onmogelijk van hemelse dingen kunnen houden (en daarom niet de poort naar de Hemel door kunnen gaan ) zeg ik niets, want hun les is voorbij. Maar laat ik er voor degenen, die er wél geschikt voor zijn, op aandringen, zich af te wenden van vele dingen, die zij in deze stad zien.

Laat mij hen aanbevelen, niet alleen actief, maar ook in doen en laten hun schreden te richten naar zaken, die het fatsoen, eer en waarheid betreffen. Wij werden allemaal op een of andere manier geïnformeerd dat de Hemel geen plaats van nietsdoen is. Het is evenzeer duidelijk dat de middelste, geestelijke wereld ten behoeve van die geesten is, die zich volgens die orde wensen te gedragen en dat daar meer te doen is, dan van de ene plaats naar de andere te wandelen voor pleziertjes om alleen maar de weg naar de Hemel te gaan. Mogen we bedenken dat alleen bij goed denken en doen onze schreden binnenwaarts worden gericht, om zo het hemelse pad te betreden. Niet eer we de innerlijke neiging, om voorwaarts te gaan, hebben verworven, zijn onze ogen geopend en vinden we de opwaartse weg. Ik raad allen, die hun blik hemelwaarts hebben gericht aan, geen tijd te verliezen, om dat werk of die taak te vinden, die voor hun geschikt is. Ik geef hun ook de raad om hun taken serieus, trouw en eerlijk te vervullen, zonder hoop op beloning, maar alleen uit liefde voor wat goed en waar is. Wanneer u dit leert, goede vrienden, zult u zich plaatsen in de stroom der "Goddelijke Voorzienigheid"welke naar de Hemel voert."

Na een paar toevoegende woorden boog de priester het hoofd, ten teken dat geëindigd was. Juist toen hij "Amen" zei gebeurde er iets beschamends.

Binnen de kerk werden plotseling harde kreten gehoord van spot. Er werd een aantal kiezelstenen naar de predikant geworpen, waarvan enkelen op zijn gebogen hoofd en op het boek voor hem neerkwamen. Van boven af werden kreten gehoord, zoals, "sluit hem op!" Gooi hem eruit!" "Hij liegt!"

Met opgeheven hoofd en met een bleek maar onbewogen gelaat keek de geestelijke zonder vrees naar de rustverstoorders.

Het toneel dat daarop volgde was onbeschrijfelijk. Allen in dit volle huis rezen op, en schreeuwden mee in de uitlatingen van ontevredenheid. Anderen trachtten deze tot zwijgen te brengen en riepen "schande!".Allen droegen bij tot dit lawaai. Weldra werd het duidelijk dat ruwe handen zich zouden leggen op deze onschuldige man, indien hij niet beschermt zou worden.

Sommigen, onder wie Alaric en ik, probeerden zich een weg te banen naar de preekstoel. Op deze wijze werden diegenen die met de predikant sympathiseerden en zij die boosaardig kwaad wilden, meteen duidelijk onderscheiden.

Wat het einde geweest moge zijn, zonder tussenkomst, is alleen maar een kwestie van gissen. Juist toen er een botsing dreigde, verschenen tussen de twee tegenoverstaande groepen ineens drie in het wit geklede mannen met een zweep in hun handen. Niemand scheen te weten wie zij waren en waar zij vandaan kwamen, maar zij verkondigden direct hun opdracht. Zonder woorden richtten zij zich tegen deze rustverstorende wezens. Zij sloegen krachtig met hun zweep en dreven allen voor zich uit, totdat de kerk van hun gezuiverd was. Iets in hun manier van doen scheen aan de rustverstoorders angst te bezorgen. Niemand probeerde zich tenminste te verzetten.

Op een eerbiedige afstand volgden Alaric en ik deze drie vreemde mannen. We zagen hoe die onverlaten tot op de laatste man de straat op werden gedreven. En dit was niet alles. Degenen van de oproerkraaiers, die de leiding hadden gehad en die waarschijnlijk met stenen gegooid hadden, werden door de witgeklede mannen de handen met touw gebonden en gevangen weg gevoerd. Ik zag deze om de hoek van de straat verdwijnen. Vermoedelijk werden deze aanranders onmiddellijk in een naburige gevangenis opgesloten. Na een paar minuten kwam het nieuwsgierige volk dat achter hen aangehold was, na en na terug. Zij berichtten dat daar om de hoek de arresteerders met hun gevangenen zo maar in het niets waren verdwenen. Zij waren noch een huis of een tuinpoort binnen gegaan. Zij waren op de straat en in vol zicht plotseling onzichtbaar geworden. Alaric en ik keken elkaar vol verbazen aan. Terwijl we de kerk weer betraden, zochten we de heer Boniface te spreken, die predikant, die blijkbaar niets was overkomen, en die , daar was ik blij mee, mij met groot genoegen herkende.

"Wie waren deze drie vreemde mannen?" vroegen we bijna zonder inleiding.

"Dienaren van de Heer, dat is gewis," was het antwoord.

"Kent u ze? Verwachtte u deze?"

"Nee, hun komst was een even grote verrassing voor mij als ook voor u."

 "Wat hebben ze gedaan met deze ellendelingen?" vroeg ik.

"Dit kunnen we niet met zekerheid zeggen, maar we kunnen ervan op aan dat men deze naar een of andere gevangenis gebracht heeft, waarschijnlijk een tijdelijke aan de grenzen van de hel zelf."

"Ik begrijp hun plotselinge verdwijnen niet," zei Alaric.

"Toen zij uit ons oog verdwenen," vulde de geestelijke aan, verschenen zij voor de ogen, die tot het gezelschap behoren waarmee zij verbonden zijn en welke van dezelfde aard zijn. Intussen komen zij zichzelf voor alsof zij een wandeling maken. In de geestelijke wereld echter zijn er in werkelijkheid geen afstanden, hoewel het schijnbaar wel het geval is. Alle voortschrijding is niets anders dan een verandering van staat. Dit is de oorzaak, dat diegenen bij elkaar leven, die in dezelfde aandoeningen zijn, en waarom een persoon onmiddellijk zichtbaar wordt voor de ander, wanneer zijn tegenwoordigheid intens wordt verlangd. Ik hoorde dit van de engelen. Je begrip zal in het begin iets duister zijn maar later zal het helder worden.

Het werd nu tijd om de kerk te verlaten. Zij zou waarschijnlijk worden gesloten. Met enige tegenzin zeiden we de predikant vaarwel. Hij nodigde ons hartelijk uit voor een bezoek in, wat hij glimlachend zijn tijdelijk tehuis noemde. Het was niet ver weg. Na een warme handdruk namen we afscheid.

“Wat een heerlijk, prachtig geschenk is het leven, een eeuwig leven” zei ik toen we op straat liepen.

De ogen van Alaric gleden over de ruisende boomtoppen van een park dat zich links van ons uitstrekte. Met een zachte, diepe zucht antwoorde hij:”O ja, maar arme Jack en Percy. - Het werd hen gegeven en zij weigeren om dit te geloven”.

 

Hoofdstuk 7 - De school der wijzen

 

Ik was diep doordrongen van het voorstel met betrekking tot de belangrijkheid van het zoeken naar enige bezigheid. Hetgeen de heer Boniface vanaf de preekstoel zei, hielp me dit standpunt te bevestigen van de lering bij de poortwachter, bij de uitgang van het paradijs. Ik wenste iets meer te doen dan rond te wandelen in de geestelijke wereld op zoek naar inlichtingen en belevenissen, maar wat zou ik kunnen doen? Dit was een onthutsende vraag. In de natuurlijke wereld had ik nog geen vaste bezigheden, daar ik pas mijn studieloopbaan had beëindigd. Ik vermaakte me gedurende een jaar met reizen, toen ik overvallen werd door de ziekte, die in mijn dood eindigde. Het hebben van vele meningen was een oorzaak van dit ongewoonlijk uitstel van het zoeken naar een beroep. Een zekere wispelturigheid naar een doel, mijn neiging om de ene weg naar de andere te bewandelen, totdat ik de toonladder van de beroepen had geleerd, zou een deel van de oorzaak kunnen zijn. Het was een van de uitgesproken zwakheden van mijn karakter, dat ik me verbeeldde een universeel talent te bezitten, een zwakheid, die niet zo zeer een erfelijke aanleg was, dan wel die omstandigheid, welke mijn opvoeding betrof. Het dagelijkse gezelschap in mijn familie, die onvoorzichtig mijn talenten overschatte, was meer aangenaam dan heilzaam. Wanneer ik voordroeg, redeneerde, schilderde, schreef, musiceerde of was dies meer zij, deze domme familiegenegenheid vulde alle open plaatsen in mijn onrijpe vertoningen. Zei zeiden dat deze prachtig waren.

Stel zich mij voor op twintig jarige leeftijd, die zich de een weinig aanmatigend de weinig en aanlokkelijke taak oplegde, om aan een jonge schrijver met, die goede verwachtingen had en beloftes, de kunst van opstellen onderwees. Dit werd zó vervelend dat ik een vriendschap verspeelde, die beloofde zeer waardevol voor ons beiden te worden. Deze zeer openhartige ervaring was alleen maar en lange rij van domheden. In plaats van mijn ogen te openen, bracht dit mij er toe om enkele schampere opmerkingen te maken op de ondankbaarheid van het mensdom. Zo ging ik door met redeneren en beeldde me in dat ik wel geschikt zou zijn voor een van die duizend beroepen., indien ik alleen maar de moeite zou doen met inleidend sloofwerk. Onze karakters zouden ons verachtelijk genoeg voorkomen, wanneer we maar diep in ons hert zouden kijken en daarbij de getuigenis van domheid en zonde zouden opmerken. Hoe weinig doen we dit. Hoe zelden geven we toe dat we niet oprecht tegen onszelf zijn.

Maar tegen die tijd toen ik de vijfentwintig jarige leeftijd had bereikt, begon er verbetering te komen. Het nam een andere vorm aan. Langzamerhand drong de neiging door naar een grote liefde voor de studie van onderwijs. Ik richtte daarom mijn gedachten op een eventueel vak als leraar, hoewel ik door mijn rijkdom gemakkelijk buiten de grenzen van noodzakelijkheid geplaatst had kunnen worden.

Mocht het in de natuurlijke wereld al moeilijk zijn, hier scheen het dubbel gecompliceerd te zijn. Waar pasten mijn heersende neigingen wel bij? Nog steeds voor onderwijs, want bij het overdenken realiseerde ik me, dat daarin geen verandering was gekomen. Maar hoe zou ik kunnen onderwijzen, daar mijn houding tot nu toe alleen maar informerend en belerend was geweest? Maar stel, dat ik door een lange en zorgvolle reeks van opleidingen moest gaan - wat dan ? Als ik maar voorbereid kon worden, om diegenen, die nieuw uit de natuurlijke wereld kwamen, welkom te heten en te onderwijzen, zoals de engel Gabriël deed - ah ! In het ogenblik waarin zich deze gedachte vormde werd het al duidelijk voor me. Als in een plotselinge heldere lichtflits van boven zag ik waarheen mijn liefde me dreef. Ik zag hoe mijn leven zou kunnen zijn bij het nastreven van deze gedachte.

Hoe moest ik dit uitvinden ? Per slot zouden de moeilijkheden wel niet zo groot zijn. Om te beginnen zou ik de weg vragen naar een of ander onderwijsinstituut - er moesten zulke plaatsen zijn, waar ik me in zou laten schrijven als student. Dit instituut zou natuurlijk onder bescherming van engelen staan. Het onderwijs zou gezond en doeltreffend zijn.Bij dit streven nam ik Alaric in vertrouwen. Het was bemoedigend toen ik hoorde dat zijn ervaringen niet onthutsend waren geweest. Zijn levensliefde was kunst. Ofschoon hij al snel de weg vond naar een school, werd het al ras een kwelling voor hem. Alleen uiterst realisme was toegestaan. Sinds kort had hij ermee gebroken en een andere school voor kunsten gezocht, waar hij zich vrijer aan zijn eigen smaak en ideaal over kon geven. In de loop van het gesprek vertelde hij dat niet ver van de stad voor nieuwkomers een beroemd instituut voor onderwijs was, genoemd De Universiteit voor Wijsheid, waaraan vele professoren van bekende scholen in Europa verbonden waren. Zijn twee vrienden waren van plan om daar lessen te volgen. Hij twijfelde of ik wel hield van het z.g. rationalisme, dat overal was doorgedrongen, dat volgens zijn mening verre van rationeel was, maar navorsing kon geen kwaad. Hij had begrepen dat zijn beide vrienden de volgende avond aan het gymnasium zouden spreken.. Hij stelde voor om in de namiddag daar heen te gaan om een bezoek te brengen aan die school, om te dineren in het studentenrestaurant en om de avondbijeenkomst bij te wonen. Dan zou ik de gelegenheid hebben om te beslissen of ik me wilde laten inschrijven.

Zeer begerig naar dit avontuur gingen we er de volgende middag snel heen. Door de conversatie met Alaric werd de wandeling interessant. Het bleek, dat de school al spoedig na het verlaten der stad in zicht kwam, een groot en onregelmatig gebouw met een pretentieuze structuur van zandsteen, gelegen in een laag zanderig dal, vlak bij een woestijn. Ik was met verbazing geslagen, toen ik bemerkte dat in de gehele omtrek geen stroom te bekennen was, die de stralen van de zon weerkaatsten. Bij nader inzien was er geen poging gedaan om de grond te bewerken, maar waar edele boomtakken hadden moeten zijn, daar waren alleen maar onvolgroeide struiken.

"Wat liet hen dit verlaten plekje kiezen?" vroeg ik.

"Het werd misschien voor hen gekozen," was het antwoord, waarbij de glimlach van Alaric getemperd werd door een ernstige blik in zijn ogen.

Toen we voor de hoofdingang stil hielden, ontcijferden we de inscriptie erboven. DE SCHOOL VOOR WIJSHEID.

Een dienaar verscheen en vroeg, om hem te volgen door een lange, kale hal, naar een ontvangkamer, waar men ons vroeg, om te gaan zitten en te wachten op een van de schoolfunctionarissen. Terwijl we de kamer rondkeken, werd onze aandacht getrokken door een aantal inscripties op de wanden, in grote, zwarte letters. Onder andere citeer ik deze:

"Geloofsovertuigingen zijn een vloek, wanneer zij worden gebruikt om de vooruitgang te stoppen"

"Het toekomstige leven is zuiver een oncontroleerbare veronderstelling der dogmatische theologie."

En dit:

De geloofwaardigheid van de massa is het grote ei, waaruit de gekroonden, priesters genaamd, zijn voortgekomen. Onze waarnemingen van die opschriften werden onderbroken door de door ons verwachte universiteitsfunctionaris, die ons zeer hartelijke begroette. Hij was een grote, bleke, schoolmeesterachtig uitziende man, knap genoeg,maar ik kon de uitdrukking in zijn ogen niet bewonderen. Het was tot een zekere graad een minzaamheid om de onbedachtzamen te bekoren. Ik vertelde hem wat ons hier gebracht had en luisterde naar de lofprijzende uitlatingen, deze school betreffend. Hij was er trots op om erbij te mogen horen en op de beroemde professoren die aan deze belangrijkheid bijdroegen. Hij verzekerde me, dat ik er goed aan had gedaan om bij hen te komen en dat we dit binnenkort wel zouden ervaren. Hij stelde voor om ons zonder uitstel de school te laten zien. Toen hij opstond hield ik hem terug en wees hem op die opschriften aan de muren.

"Ik heb hierover gepiekerd," zei ik. Bij de eerste kan ik geen fout ontdekken, vooropgesteld dat u daarmee valse geloofsovertuigingen bedoeld. Ik kan me voorstellen dat sommige welgezinde mensen met het sarcasme van het laatste instemmen, omdat het zeer waarschijnlijk is dat een groot aantal priesters op de wereld heden ten dage huichelaars of bedriegers zijn. Uw opschrift over het toekomstige leven heb ik met verbazing gelezen. Wat bedoelt u met deze?

"Precies wat deze woorden uitdrukken."

Alaric en ik keken elkaar aan"Maar" -na een pauze- "Hoe kunt u zeggen dat het toekomstige leven een veronderstelling is, wanneer beiden, u en ik, daarin leven, nadat we van de natuurlijke naar de geestelijke wereld zijn over gegaan ?"

De functionaris glimlachte toegevend, als een volwassene doet wanneer hij luistert naar sommige wilde, jeugdige onzin.

" Ik zie dat sommige krankzinnigen met u hebben gepraat," zei hij spijtig. Dit zullen ze doen als u het hen toestaat. Zij kwamen zelfs bij mij - bij mij - met hun kinderachtig geleuter, maar dat is lang geleden.

Er volgde een dodelijke stilte.

"Kunt u zich het uur, volgende op uw verrijzenis, niet herinneren?'-vroeg Alaric plotseling.

"Klets! Waarom verdoet u uw tijd met discussies over deze onzin ? Hoewel, deze krankzinnigen - als we over hen moeten spreken - kwamen en spraken met me, juist toen ik na een lang dutje ontwaakte. Ik zond hen gauw naar hun eigen bezigheden."Dan gelooft u werkelijk dat u nog in de natuurlijke wereld bent ? Het is ongelofelijk," zei ik.

"Zeker. Er is geen andere wereld."

"U bedoelt te zeggen," begon Alaric, een beetje ongeduldig," dat u denkt dat u op dezelfde school werkt, in dezelfde stad ergens in Europa of Amerika, waarin u eerder -"

"Nee,- nee, dat kan ik niet zeggen, hoewel sommigen van ons dit beweren. Er is ontegenzeggelijk iets veranderd, erkennen enkelen onder ons, maar zij zijn nog niet voldoende in staat om dit te verklaren. Zeker, we zij niet meer in ons vroeger huis, maar sommige gelijksoortige, hoewel andere plaatsen in dezelfde wereld. Hoe dit nu precies kan en waar we nu precies zijn - dat zijn de duistere punten. We hebben er vaak over gediscussieerd. Sommigen denken dat we bedwelmd zijn. Niemand zal toegeven dat er een bovennatuurlijke werking was. Een van onze hoogleraren, een buitengewoon geleerd iemand, houdt zich nu bezig met een grondig onderzoek van dit mysterie. Hij verwacht beslist een volledige oplossing door wetenschappelijke methodes te bereiken."

Na dit viel er werkelijk niets meer te zeggen. Een dusdanige krankzinnigheid was niet te beantwoorden. Door onze houding maakten we kenbaar, dat we gereed waren om verder te gaan, om de rest van het gebouw te gaan zien.

We werden dan naar een grote hal gevoerd, waarvan de ene wand uit glas bestond. Weinig licht werd echter doorgelaten. Een verklaring hiervoor was, dat verschillende telescopen waren aangebracht op bepaalde afstanden in het rond, die met de open lucht in verbinding stonden. De andere wanden waren grotendeels zwart geverfd en bedekt met krijtschetsjes van de verschillende posities van de diverse sterrenbeelden.

"Dit is onze afdeling, gewijd aan astronomische observaties," legde onze gids uit. We kunnen een dankbare vooruitgang der wetenschap aantonen. Het hoofd van onze geleerde astronomen heeft reeds twee nieuwe planeten ontdekt, en verschillende daarvan gelokaliseerd. Hij heeft nu het oppertoezicht bij een constructie van een geweldige telescoop, waar hij de bewegingen van de naaste planeten, zo mogelijk per minuut, kan afleiden van de heersende principes, niet alleen de luchtnavigaties, maar van het heelal zelf. Hij is er van overtuigd dat hij de praktische toepassingen van deze beginselen zal vinden voor vliegtuigen, die elke stoute avonturier een bezoek aan de planeten zal verzekeren, evenals het verst verwijderde zonnestelsel. Dit zal de onvermoeibare hoogleraar en onze school onsterfelijk maken, en daarnaast een winst incalculeren voor de wetenschap.

Alaric en ik hebben ongetwijfeld getoond dat de "onvermoeibare professor en ons college" lang en vergeefs zou wachten op onsterfelijkheid; maar wij zwegen voorzichtig en volgden onze gids naar een tweede hal of wel, een voordrachtkamer, waarvan de muren eveneens zwart waren, om op te tekenen met wit krijt. Aan het einde daarvan stonden enige kwijnende potplanten. Hier troffen we een bezige professor welke, naar men ons vertelde een van de meest vermaarde, levende plantkundige was. Toen wij binnen kwamen was hij net klaar met tekenen op een wand achter de tribune, terwijl hij naar het aantal lege plaatsen keek.

"Ik was net bezig met de lessen voor morgen voor te bereiden," zei hij, toen wij aan hem werden voorgesteld.

Hij had een diagram getekend dat een ontwikkeling toonde van de hogere levensvormen vanaf de lagere, vegetatieve en dierlijke soorten. Aan de basis was het protoplasma, die zeldzame, half vloeibare, klevende materie, vol ontelbare minuscule korrels in hun onophoudelijke en snelle beweging, waarvan ons werd verteld, dat zij gold voor het eerste, of wel de basis van alle plantaardig en dierlijk leven. De tekening was gemaakt, om te laten zien, uit deze alscheppende, onverklaarbare substantie, een opvolgende orde in het plantenrijk, de korstmossen, het leverkruit, varens, palmen, grassen, dennen, lariksen, eiken, brandnetels, rozen, appels, olijven, winde en de hogere groepen, zoals madeliefje en de dahlia. Een deel van het diagram gaf aan dat na het plasma de protozoën, sponsen ontstonden, koraalvormen, kwal, zeester, zeespuiter, ganoëd, vis, inktvis, oesters, graatvis, insecten, amfibieën, reptielen, vogels, insecteneters, bovendien knaagdieren, vosapen, vleermuizen. Hierna kwamen dieren, zoals roofdieren, aapachtige met of zonder staart en tenslotte de mens.

"Maar wat is de oorsprong van dit wonderbare, alscheppende protoplasma?" vroeg Alaric voorzichtig, nadat hij een tijd naar de professor geluisterd had.

"Ik heb u verteld dat dit het eerste beginsel was. Hoe kunnen we beneden het begin gaan? Indien dit het eerste is, heeft het natuurlijk zijn eigen begin." Dit werd met een lichte wrevel gezegd.

"En denkt u niet," vervolgde Alaric, rustig, "dat er nog iets zou kunnen zijn dat nog eerder was? Is het nooit bij u opgekomen dat deze eerste natuurlijke vorm van leven zijn ziel of essentie uit een geestelijke vorm heeft betrokken, dat omgekeerd bestaat en zijn leven van het allereerste begin trok - de ongeschapen en eeuwige God?"

" Bah !"

"Mag ik u een vraag stellen ?" kwam ik ertussen.

"U mag," antwoordde de professor uit de hoogte.

"Dit alles-scheppende plasma, kan het denken en liefhebben?

"Denken en liefhebben ? "Zeker niet!"

"Als u mij toestaat, dan, wanneer de mens een wezen is dat kan denken en liefhebben, zoals u moet doen, ziet u dan niet dat het geschapene boven de schepper verheven is?, iets onmogelijks? Welke stroom kan boven zijn bron oprijzen?"

De professor werd bleek van toorn, toen hij luisterde. Bij wijze van antwoord keerde hij zich naar onze gids en vroeg met trillende stem: "Wie zijn deze domme en arrogante jonge mannen? Breng ze weg voordat ik mezelf vergeet."

Dan, met een sarcasme, terwijl hij naar zijn diagram keek: Spreek met mij over God die het heelal kan overzien, als ik weet dat de afstand van de miljoenen zichtbare sterren zo ver is, dat drie jaren nodig zijn voor het licht dat een honderd en zesentachtig duizend mijlen per seconde af moet leggen, om ons te bereiken!"

De gids voerde ons wijselijk snel weg en bracht ons naar een derde hal, een collegeruimte voor wetenschappelijk onderricht betreffende de vergelijkende graad der anatomie.. Ordelijke gerangschikt vonden we hier verschillende menselijke skeletten en de duffe huiden en skeletten van een groot aantal dieren. Later werd het mij duidelijk dat deze een product der fantasie waren. De daar aanwezige professor was bezig met het maken van krijttekeningen op de zwarte wanden. Hij bereidde zich voor op zijn aanstaande college. Hij informeerde ons dat dit zou handelen over de evolutietheorie. Hij had een prachtig skelet van een vleermuis getekend. Hij vond dat het, hoe vreemd ook, leek op een menselijk skelet, maar vleugels had,en zelfs de vleugels waarvan de punten waren afgeknipt niet ongelijk aan de menselijke beenderen van een arm. Er waren nog andere skeletten, die de gelijkenis aantoonden van de vroege reptielen en vogels."De wondervolle feiten der wetenschap vertellen hun eigen geschiedenis," zei hij met een tevreden uitdrukking.

Graag zou ik hem gevraagd hebben, of zijn eigen interpretatie van de feiten ook hun eigen geschiedenis vertelden. Maar onze vroegere ervaring was nog niet vergeten en ik zei niets.

"Laat ons nu de hal van de mythologische curiositeiten bezoeken," stelde de gids voor. "Voor mij is dit het meest interessante van alles, ofschoon u misschien liever naar de bibliotheek wilt gaan?"

Hij leidde ons verder naar een vierde hal. De wanden waren voorzien van diepe planken, waarop groepsgewijs een groot aantal beelden waren geplaatst.

Dank zij de onvermoeide energie van onze geleerden, mythologisten en bekwame beeldhouwers," begon hij, met een trotse zwaai van zijn hand, " hebben we een unieke en waardevolle verzameling. We hebben hier een beeld om als voorbeeld te dienen van alle goden met al hun eigenschappen in elk systeem dat bestond vanaf de dageraad der geschiedenis. Laten we beginnen met de meest belangrijke groepen. Hier hebben we de Sumero-Akkadian, de Assyriërs de Babyloniërs, hier de Egyptenaren, de Phoeniciërs en de Carthagen. In deze groep voor ons vinden we de twaalf Griekse Goden en al de kleine godheden en halfgoden, zelfs al naar hun belangrijkheid de iets lagere gratiën, de riviergoden, de najaden of waternimfen en bosnimfen. Hier is de interessante Romeinse collectie en de magere overblijfselen der Etrusken. Hier staan de Hindoes, Chinezen, Tartaren en hier de Persen. Deze hier zijn de oude Germanen en Scandinaviërs. Deze hier zijn de goden van de oude Galliërs en Britten.

"En hier," zei hij," hebben we de enige Joodse en de drie Christelijke. Mijn adem ging snel. Ik keek naar beneden toen hij een moment veelbetekenend naar me keek. Ik hield mijn adem in. Door een gebiedend bevel werden de woorden van de man plotseling tegen gehouden.

"Stilte!"

Ik keek Alaric aan, want het was hij, die gesproken had. Zijn gezicht was afgekeerd en bleek tot aan zijn lippen. Hij draaide zich om. Onze ogen ontmoetten elkaar. Dan gingen we ineens snel naar de deur. Enkele ogenblikken later stonden we stil in de buitenlucht. Met een warm gevoel gaven we elkaar de hand.

"Mijn vriend, mijn vriend," fluisterde ik zacht. Ik was stil van afgrijzen. "Dit moet wel de hel zelf zijn," zei ik tenslotte.

" Een hel, zowel innerlijk alsook uiterlijk," was zijn antwoord. Dan merkten we dat de gids ons was gevolgd en naar ons toe kwam.

"Ik vraag u duizend maal excuus," begon hij te zeggen op zijn bevallige onuitstaanbare manier van doen. "Ik was te voorbarig. Maar werkelijk, dit had ik van twee zo veel belovende jonge mannen niet verwacht, vooral heden ten dage, waar het niet meer van goede smaak getuigd om in een intelligent gezelschap over religie te praten. Het is verbazend, werkelijk wonderbaarlijk hoe groot de vasthoudendheid van de Bijbelse fabel is op het menselijk ras. Dat is voor de eenvoudigen en niet voor diegenen, die verlicht zijn. Mijn lieve jonge vrienden, jullie wensen toch niet tot de eenvoudigen te behoren? Niet waar ?"

Wij keken naar de man met een gezicht van afkeer, toen hij zweeg.

"U kunt ons beter verlaten." Alaric waarschuwde met trillende stem.

Langzaam verdween de minzame manier van doen bij die man. Met een dreigende blik begon hij aan een vreselijke profane redevoering. Maar de toespraak was nog niet af. De grens van tolerantie was overschreden. Alaric zijn arm schoot plotseling uit, recht vanuit zijn schouder. Een boze, geschokte man lag omver geslagen op de grond achter ons, toen we ons omdraaiden en snel wegliepen.

 

Hoofdstuk 8 - De aap zonder staart.

 

Zoals we ons hadden voorgenomen, maakten we een lange wandeling naar het restaurant voor studenten. Ik drong aan op een onmiddellijke terugkeer naar de nieuwkomers, maar Alaric herinnerde me eraan, dat zijn vrienden in de avond op een bijeenkomst in het gymnasium zouden spreken. Hij stond er op, om tenminste een paar uur langer te blijven.

"Ik kan er niet toe komen om weer in dat gebouw te gaan," zei ik. "Zulke plaatsen zouden we moeten mijden. Het is alsof we met vuur spelen."

"Het zou inderdaad zo zijn, indien we niet zo vast in ons geloof zouden zijn," was het antwoord, "maar daar het wél zo is, denk ik dat het nuttig zou kunnen zijn.

"Maar hoe weten we,wat voor een ongehoorde profanatie zij tegen ons zullen spuien?"

"Bij de eerste aanleiding van dergelijke dingen kunnen we weggaan. Ik moet deze ene keer gaan," zei Alaric ernstig, in het belang van mijn vrienden. Ik heb nog steeds hoop dat zij gered kunnen worden."

Het was reeds donker toen we het restaurant verlieten. We vonden een plaats op een lage, platte rots, die tegen al dat zand vreemd afstak. Daar bespraken we de zaak. Onze rustplaats bevond zich op twee honderd yards afstand van het hoofdgebouw voor ons. In lijfelijke, duidelijke lijnen tekende het zich af tegen de horizon. Het licht van de vele vensters werkte op mijn verbeelding. Het gebouw kreeg geleidelijk het aanschijn van een sterk, kruipend monster, wiens honderd rode, starende ogen ons glurend gade sloegen.

Hoewel, een uur later, toen de bel van het gymnasium luidde, stemde ik ermee in om mijn vriend te volgen. We vonden rustig onze weg naar de hal en gingen in een onopvallende positie dicht bij de deur zitten. Het gymnasium was een ronde gehoorzaal van een aanzienlijke omvang. De reeks plaatsen waren opgesteld op een hellend vlak, dat geleidelijk afliep naar het midden van de vloer, of wel een platvorm, waarop een klein verhoogd spreekgestoelte was geplaatst. De professor zat op het platvorm, de studenten er in het het rond omheen. Beiden droegen zwarte, dunne gewaden en kappen. Zo werden zij onderscheiden in hun posities. De hoogleraar droeg hetzelfde kleed, maar was goed zichtbaar voor de collega's, omdat hij op de verhoogde stoel goed naar de spreker kon kijken. Ik merkte op, dat die man, welke door Alaric was neergeslagen, tussen de professoren zat. Hij nam de gezichten van de binnenkomende studenten kritisch op te nemen, alsof hij naar ons uitkeek. Toen allen aanwezig waren stond de president op. Met een gracieuze inleiding kondigde hij het onderwerp van die avond aan.

"Voor het gemak," zei hij, "hebben we het onderwerp in drie delen verdeeld en mogen we luisteren naar drie verschillende toespraken. De onderverdeling is als volgt: -

"Is de mens meer als een perfect dier?

1.) Indien niet, hoe verklaren we zijn bijgeloof, zijn geloof in een ziel en in een volgend leven?

2.) Wat is de oorsprong van de legende en in welke relatie staan de

aanhangers daarvan tot de joodse en christelijke religies?

3.) Wat is onze stelling, gezien vanuit het standpunt der vergelijkende anatomie ?"

Het eerste en het tweede deel van het onderwerp zal gepresenteerd worden door twee brillante vertegenwoordigers van onze hogere klas studenten. Het derde onderwerp zal behandeld worden door onze eminente collega, wiens anatomisch onderzoek hem op twee halfronden beroemd maakte en van wie ik de naam niet behoef te noemen." Met dit bloemrijke gezegde hernam de president zijn plaats. Een student, in wie ik Jack, de vriend van Alaric herkende, stond op en begaf zich naar de lezenaar. Hij spreidde zijn stelling voor zich uit en probeerde het volgende te bewijzen.

"Indien de mens niet meer is dan een verbeterd dier, hoe verklaren we dan zijn bijgelovigheid, zijn geloof in een ziel en in een volgend leven? Wij zijn het er allemaal over eens dat de mens de bloem de schepping is - een meer ontwikkelde vorm van leven, waarmee de natuur in staat was haar werk na en strijd van miljoenen jaren te bekronen. Wanneer dit grootse werk der natuur dan zo alles overtreffend is, zoals schoonheid en samengesteldheid van de natuurkundige structuur, zal het in overeenstemmende wijze begiftigd moeten zijn met een voortreffelijkere verstandelijke kwaliteit. Daar we een fijner lichaam bezitten, hebben we dientengevolge ook een fijner verstand. Laat ons eens zien naar de primitieve mens met zijn hogere ontwikkeling van lichaam en verstand en vergelijk hem in relatie tot zijn omgeving. In hem zijn de hersenen van het voorouderlijk beest varbazend meer ontwikkeld. Door langzame ontwikkeling werden zij begiftigd met de nieuwe en wonderbaarlijke eigenschappen van het voorstellingsvermogen en de redelijkheid, hoewel hij in het begin op dezelfde manier leeft als zijn viervoetige voorouders en zoals nog de tegenwoordige wilden leven. In hem hebben we een schepping die in staat is indrukken op te vangen en om erover te denken.

Zijn denken is echter eeuwenlang van weinig nut, want hij is ongeletterd en afhankelijk van zichzelf. De gehele wereld is voor hem als een gesloten boek. Niettegenstaande verwerfd hij langzaam een stapel aan ideeën en koestert ze met groeiende waardering. Liggende op de grond, gedurende de nacht, blijft zijn denkvermogen wakker. Hij droomt dat hij ver weg wandelt en veel avonturen beleeft. In de morgen spreekt hij over deze belevenissen met zijn vrienden, alsof zij werkelijk waren. In antwoord daarop lachen zij; zij vertellen hem dat hij de gehele nacht naast zijn vuur, onder de eik heeft geslapen. Deze en gene waren wakker en kunne bewijzen dat hij zich niet verroerde. Toch is de indruk van zijn nachtelijk avontuur te levendig om er afstand van te kunnen doen. Zodoende is,toen men trachtte dit mysterie te verklaren, langzaam aan het geloof in een ander zelf of ziel ontstaan, die zich afscheidt en rond wandelt waar hij maar wil, terwijl het lichaam op de grond blijft liggen slapen.

" Weldra heeft de primitieve mens tevens door ervaringen geleerd, dat hij en al zijn kameraden op een dag moeten sterven. Hij ziet het leven in zijn vriend uitgedoofd; het licht in zijn ogen vervaagd, de ledematen verstijven. De gehele mens verrot en wordt tot niets. Desondanks, terwijl hij slaapt en droomt vertrekt zijn ander zelf. Hij ziet zijn vriend in levende lijve, ziet hem lachen, praten en eten. Alles welbeschouwd is de dode vriend nog in leven. Zo heeft zich langzamerhand de gedachte ontwikkeld en is het geloof in een toekomstig leven gevestigd."

Toen hij naar zijn plaats terugkeerde, ontving de spreker een glimlach en een warme goedkeuring van de president. Er volgde een luid applaus van de meerderheid der studenten. Toen de rust weergekeerd was werd de tweede stelling over dit onderwerp voorgelezen. Een andere student, in wie ik de andere vriend van Alaric herkende, stond op en begaf zich naar de lezenaar. Het belangrijkste kernpunt op zijn papier was het volgende:

"Wat is de oorsprong van de legendes en in welke relatie staan de joodse en christelijke religies tot de aanhangers van deze stelling? De vorige lezing geeft in het algemeen een antwoord op deze vraag. Wat is de oorsprong van deze legende? De eerste onrijpe fabels kunnen alleen maar in het leven geroepen zijn in de maagdelijke geest van de primitieve mens. Terzelfder tijd en op dezelfde wijze ontstond de idee van een ander zelf, of ziel en een geloof in een toekomstig leven.

"Stelt u zich de primitieve mens eens voor, die nog in de wouden leefde en in de staat van zijn ver verwijderde voorouders, de aap zonder staart. Schilder hem in gedachten met zijn geringe bagage aan kennis en ervaring, in confrontatie met de opzienbarende verschijnselen in de natuur. Wanneer zijn nieuw ontwaakte geest het opgaan en de ondergang van zon en maan waarneemt, deze zich samenpakkende zwarte dreigende wolken, de regenbui, de stem van de wind, het flitsen van de bliksem en het gerommel van de donder. Hoe geeft hij aan deze natuurkrachten de juiste waarde en plaatst hij die in het stelsel der natuur, iemand wiens geest alleen maar opgehoopt is met nieuwe en vage indrukken ? Hij kan dit niet. Toch is hij niet leeg. Hij is angstig, hij trilt, hij tart ze. Bijna alle Mythologen catalogiseren de zon en de maan onder de goden en we behoeven alleen maar terug te gaan tot de Grieken, om deze dingen als een vreselijke vuurvogel te zien.

"Wat hebben verdere vragen voor zin? De oorsprong van de legende is volkomen duidelijk. Het is beklagenswaard hoe deze legende zich vanaf de dageraad der geschiedenis tot in de tegenwoordige tijd heeft kunnen verbreiden. De geschiedenis van dit verloop is alleen maar een opeen stapeling van vele ideeën van de mens en zijn daarop volgende verbetering van zijn redenerend vermogen. Datgene, dat in een bepaalde eeuw te goeder trouw werd geaccepteerd, wordt in een volgende eeuw als onzinnig gezien en wordt dan losgelaten. De aanhoudende terzijdestelling, die wordt bewerkt, gaat door, totdat we bij de Christelijke Religie aankomen. Die is veel eenvoudiger en redelijker dan enig ander systeem. Een kenmerkend hoofdpunt in deze graduele wijziging is de gestadige aanwas van het aantal goden. De vijf tot achthonderd Egyptische en de vierhonderd goden in de Assyrische en Babylonische stelsels worden tot één in de Joodse religie. De Christenen echter hebben de regels gebroken en schijnen een pas terug te gaan, terwijl zij er drie erkennen.

"We spraken over de Christelijke godsdienst als de meest redelijke en eenvoudige van al de vorige religies, maar in het licht van het verstand gezien, wat is het dan een weefsel van dwaasheden! Zou er een meer completer gegeven van de naakte eerste beginselen van redelijk denken kunnen zijn, dan het begrip drie heiligheden, van wie ieder van hen een Almachtig God is? De volgende makers der legenden laat wijd meer wijsheid zien, want tot nu toe was er maar een God, waaraan alle andere ondergeschikt waren? In dit opzicht hebben de Joden meer Godsoordeel dan de Christenen. Deze twee latere mythologieën of religies, waaraan men ons wilde doen geloven, met gesloten ogen, hebben veel in zich van de grove, eerste fabels, waarvan zij afstammen, die bovendien nog schadelijker zijn. Zij hebben veel in zich dat ertoe neigt om ze op een hoogte te plaatsen met de barbaarse systemen der wilden. Bijvoorbeeld, afgezien van de meer ernstige kant; de Orangonegers zeggen dat het een zonde is om op de grond te spugen. De Christenen zeggen, dat het een zonde is, om te kaarten; de Kamschatdales zeggen dat het een zonde is, om in de voetsporen van een beer te treden en Christenen zeggen dat dansen een zonde is.

Met beschouwing van de grote, onpartijdige loop der tijd en het werk der natuur, van het kolossale heelal, van de onweerlegbare en onsterfelijke feiten der wetenschap, hoe arrogant lijken dan de religieuze systemen met hun goden en duivels, hun vergeldingen en straffen! Hemel - hel - een volgend leven! Alsof er een plaats zou kunnen zijn waar alle mensen, die gedurende ontelbare eeuwen hebben geleefd in het bewoonbare heelal. Een plaats, zo uitgestrekt, een plaats, die de oneindige ruimte zou vullen is ondenkbaar en daarom onmogelijk. Hoe kunnen we verbaasd zijn dat sommige wilden in een materiële atmosfeer, die zo dicht met geesten gevuld is, zich onmogelijk kunnen bewegen zonder elkaar te duwen en zich bij hen moeten verontschuldigen, bang om geslagen te worden, als zij iets de lucht inwerpen? Maar" De tijd is niet ver af," zei de spreker, "als beiden, de joodse en de christelijke religie verbannen worden, totdat de massa der mensheid zoals reeds is gebeurd bij de intelligente mensen, gaan naar hun eigen plaats onder de afgeschafte vroegere religies. De massa moet leren, zoals wij hebben geleerd, dat het heelal alleen maar uit materie en energie is gemaakt. Als we al goden moeten hebben, dan zijn dat onze goden. Laat onze grote god "Macht " genoemd worden en onze daarvan afgeleide goden kracht en energie.

Deze toespraak werd gevolgd door een luid en aanhoudend applaus. Toen de rust helemaal teruggekeerd was, stond een van de professoren op en eiste toestemming van de president om te spreken, die hem niet van harte gegund werd.

"Wij hebben te veel theorie," begon hij op een ruzieachtige toon. We weten allen, dat theorieën steeds door andere stellingen worden verdrongen; De feiten zijn daarom van groot belang. In mijn tijd werden we moe van theorie, theorie en nog eens theorie. Men helde meer en meer over naar blote feiten. Laat me u een paar kostelijke feiten geven in verband met wilde mythologieën. De Orinoca Indianen zeggen dat de dauw de spuug van de sterren is. De Kamtchatdalen zeggen, dat het een zonde is om een rood gloeiende kool niet anders dan met de vingers gepakt mag worden bij het aansteken van een pijp. Bij de Caribs moet iemand leren om tabakssap te drinken, eer hij priester kan worden. Bastian zegt dat de koning van Quinsembo aan de Witte Nijl, niet naar de zee mag kijken, omdat hij anders zal sterven en zijn koninkrijk zal worden verwoest. De Dyaks van Borneo noemen een hevige regenbui een hij-regen. De oude Russen zeiden, dat de vier winden vier goden waren, die zij vereerden. De Paraguayers slaan met hun vuisten in de lucht, om bij nieuwe maan hun blijdschap te tonen; zij lopen ook de windhoos tegemoet en verjagen deze met brandend vuur. Daarna jagen ze de storm schrik aan, door de lucht gezond te slaan. De Kasirs van Bengalië zeggen, dat de sterren mensen zijn, die in de toppen van de bomen klommen. Toen de top afgehakt werd, bleven zij hoog in de lucht achter. De Muscovieten van Zuid Amerika zeggen, dat de maan een man is. Zij denken dat zijn ellips veroorzaakt wordt door een hond, die de ingewanden eruit trekt. Daarbij verlenen zij hem haastig bijstand door vreselijk lawaai te maken en met gezichten trekken het monster weg te jagen. In dit verband is het interessant om te weten dat Amerikaanse Indianen en andere wilden gewend zijn om hun honden gedurende de ellips van de maan, te slaan. Halleur zei, dat een neger hem uitlegde,dat het niet de (boom was waaronder hij offers bracht van palmolie, voedsel en dergelijke) dat was de fetisj, maar een onzichtbare geest die daar leefde. Hij genoot alleen maar het geestelijk deel van het voedsel, terwijl hij het materiële afwees. Wanneer er onder de kinderen op het eiland Fernando Po een besmettelijke ziekte uitbrak, dan werd er op het marktplein de huid van een slang aan een paal bevestigd. De moeders brengen daar hun kinderen om de fetisj aan te raken. Bij de Bambas van Angola is het gebruik, dat alle leden van de stam door een tijdelijke dood moeten gaan. Wanneer de priester zijn kalebas schudt, vol met alle soorten tovermiddelen, worden de jonge mannen, die zich aandienen in een verdovende slaap gebracht. Hun lichamen vallen als dood op de grond. Zij blijven daar drie dagen liggen in dezelfde toestand. Degenen, die niet door deze ceremonie zijn gegaan, worden allerwegen veracht. Het is hun niet vergund, om aan stamdansen mee te doen. De Hottentotten, zo bericht Waitz, zeggen dat de maan de haas opdracht heeft gegeven , om de mensen te informeren, dat zij evenals hij, die eerst afnam, en daarna herstelde tot zijn volheid,weer tot leven zullen komen na de dood.

Gedurende dit zeldzame betoog toonde de president een groeiende onbehaaglijkheid. Hij stond plotseling op en onderbrak de spreker. Ik moet de spreker tot de orde roepen," zei hij; zijn opmerkingen hebben geen merkbare betrekking tot dit onderwerp. Op een ander tijdstip zullen deze interessante en waardevolle feiten naar behoren worden gewaardeerd."

Met een verachtelijke blik in de richting van de president nam de spreker, die onderbroken werd, zijn plaats weer in. Gedurende enige tijd, naar de beweging van zijn lippen te oordelen, vervolgde hij fluisterend zijn redevoering. Voor de presentatie van het derde deel van het gevraagde onderwerp stond temidden onder het applaus, die professor op, die we ontmoet hadden in de hal, die gewijd was aan de vergelijkende anatomie. In grote lijnen legde hij zich toe op het volgende:

"Wat is onze stelling? Is de mens meer dan een geperfectioneerd beest, gezien vanuit het standpunt van de vergelijkende anatomie? Moet dit negatief worden beantwoord ? Het is bekend, dat de mens volgens hetzelfde principe gebouwd is, volgens hetzelfde type, of model, als andere zoogdieren. Alle beenderen van zijn skelet kunnen vergeleken worden met corresponderende beenderen van de aap, de zeehond of zelfs de vleermuis, evenals zijn spieren, zenuwen, bloedvaten en inwendige organen. Vergelijken we de hogere dieren in het algemeen met de lagere diersoorten, dan vinden we hetzelfde. Een zorgvuldig onderzoek vanaf de basis, dwingt ons, het feit te erkennen, dat lagere soorten overgaan in hogere, iets dat hogere dieren en planten pas na vele miljoenen jaren bereiken, bij langzame ontwikkeling en wijzigingen vanuit minder ontwikkelde levensvormen. Deze komen weer van andere in steeds kleinere graad van ontwikkeling , totdat het gemeenschappelijk uitgangspunt, het lagere of eencellig lichaam is bereikt.

Laat ons verder gaan en de schakel in deze keten bezien, die het meest dicht bij het eindresultaat, de mens zit. Laat ons de "Mensapen" beschouwen."

Hij draaide zich om een wees schetsjes aan, die hij op het zwarte bord gemaakt had. Zij toonden de skeletten aan van een gibbon (aap), een Orang Oetang, een chimpansee, een gorilla en een mens. De gelijkenis tussen de skeletten, de schijnbare graduele voortreffelijkheid tussen de een en de ander, totdat de meest welgevormde mens bereikt was, was werkelijk opvallend. Het was zeer geschikt om de argumenten van de spreker in de geest van de toehoorders te vestigen.

"Laat ons eens de mensaap bekijken," ging hij verder, "vertegenwoordigd in de groep voor ons, de skeletten die verrassend die van de mens evenaarden. In het begin is dit zoogdier een kruipend schepsel. Zij kruipen naar eigen goeddunken. Tenslotte zien we de rechtop geheven gestalte van een mens. Hij heeft ten leste een vorm van bewegen ontwikkeld en heeft zijn vier ledematen bevrijd. Deze stellen hem in staat om werktuigen te gebruiken voor het werpen. Het zo verkregen voordeel was enorm; dit was de schepping van de mens, - de primitieve mens. De afstand tussen de laagste wilde stammen en de aap zonder staart is zonder twijfel zeer groot, maar niet zo wijd als de afstand tussen de wilde en de mens met beschaving. Ongetwijfeld is de laagste wilde dichter bij aap dan bij de Europeaan. Met datgene, wat we over hem weten, kunnen we ons een idee vormen van de primitieve mens.

"Hij stond waarschijnlijk een trede lager dan de laagste hedendaagse wilde - een krachtige, sluwe tweevoeter, met zintuigen, die door oefeningen buitengewoon scherp werden, met sterke instincten, onstuimige en grillige stemmingen, met weinig ontwikkelde eigenschappen om wonderen te verrichten. Hij bezat een vrijwel sluimerende redelijkheid, was zorgeloos voor morgen en vergetend van gisteren. Hij leefde van de hand in de tand van de ruwe producten dar natuur. Deze mens was gekleed in huid of schors, en beschutting vond in de bomen. Hij wist niets van kunst en was hulpeloos als een baby, maar had een sterke levensliefde en een vaag gevoel daar recht op te hebben. Bij algemene gevaren had hij weinig kracht en vertrouwen. Als communicatie met zijn stam had hij geluiden, tekens en bewegingen.

Dit kunnen we veilig in grote lijnen aannemen als een portret van de vroegste menselijke bewoners der aarde en als de voorouders van ons geslacht - de schakel tussen ons en de aap zonder staart." De spreker vroeg nu de aandacht voor drie zeldzame voorwerpen, die hij op een ander deel van het bord had getekend. Vanaf mijn plaats leken zij precies op elkaar.

"Ik zou graag willen dat u notitie nam," zei hij,"van de zelfs grote gelijkenis van het menselijk embryo met dat van een hond en een vis, zoals hier afgebeeld. De kiemen, waaruit alle organismen ontstaan, schijnen uiterlijk precies gelijk, door de vroegere stadia van alle hogere diersoorten en blijft bestaan. Zelfs daarna is de vorm bespeurbaar in het embryo. Het menselijk embryo heeft bijvoorbeeld aan de buitenkant van de nek kiemachtige spleten, juist als een vis. Deze maken later tijdens de ontwikkeling plaats voor een vlies, net als tijdens de ontwikkeling van vogels en reptielen. Het hart is in het begin een eenvoudige, trillende kamer, net als in wormen. De ruggegraat is verlengd in een beweeglijke staart. De grote teen is gestrekt net als onze duimen en als de duimen bij apen. Bij de geboorte is het hoofd relatief groter en de armen zijn relatief langer dan in de volwassenheid. Beide gezichten zijn aapachtig. Zo drukt het ei, waaruit de mens is ontstaan, in een paar weken de resultaten van miljoenen jaren in elkaar. Dit toont ons de geschiedenis van de ontwikkeling van de vormen van visachtigen en reptielachtigen en zijn onmiddellijke afstammelingen van een harig en viervoetig dier.

"De echte wilden van het bos zonder paden, bewijzen een instinctieve herkenning van de grote waarheid, die zo luchthartig wordt verloochend door bepaalde domoren, die men in de geciviliseerde en gecultiveerde wereld Orthodoxen noemt. In Zuid Afrika zouden de inboorlingen bijvoorbeeld aan Monteiro zijn ezel vragen wat hij dacht over de handelingen van dieren, ten opzichte van de mensen. Wat wil het nu zeggen, wanneer de Arekunas van Nieuw Guinea, volgens Schomburgk, kinderen en apen tesamen groot brengen en de laatsten door de vrouwen worden gezoogd, die voor deze grote liefde tonen. Soms wordt een vrouw gezien met een kind en een aap tegelijk aan de borst, terwijl de twee troetelkinderen ruzie maken. Raffenel zegt, dat in Senegal in Kordofan en in Brazilië de inboorlingen geloven, dat apen zouden kunnen praten, maar dit weigeren, uit angst, omdat zij tot werken gedwongen zouden worden. De Kamtchatdalen geloven dat honden kunnen praten en dat zij dit in oude tijden deden. Sinds de dag, dat de afstammelingen van de god Kutka langs zeilden zonder hun vragen te beantwoorden, hebben zij trots geweigerd om ooit weer te praten.

"Wilt u tenslotte het betekenisvolle feit noteren, dat de Indianen van Californië aanspraak maken op de afstamming van prairiewolven, die op hun starten zaten, totdat zij afgesleten waren."

Het applaus, dat op deze toespraak volgde, was oorverdovend. Zelfs nadat de kreten en het klappen van de handen voorbij was, vulde een gegons van vreugdige stemmen de grote ruimte. Plotseling verhief zich boven de studenten, hoog in het circus, een lange gestalte. Zwijgend stond hij daar, alsof hij op een gelegenheid wachtte, om gehoord te worden. Na en na ging een gefluister van mond tot mond, dat iemand wenste te spreken. Dan werd na een volkomen stilte een rustige, rijke en warme stem gehoord.

"Ik vraag het woord en zou graag antwoorden op hetgeen werd gezegd. Wilt u naar me luisteren?"

Deze vraag was ogenschijnlijk ongewoon en onverwacht. De president aarzelde en keek onderzoekend in de richting van de spreker. Maar daar boven in het circus was het licht schemerig en kon een gezicht moeilijk worden onderscheiden. Men zag, dat die lange figuur niet in het universele zwarte kostuum en die cap gekleed was, maar in een soort licht gekleurd gewaad.

"Ik weet niet, of u zich tot mij wendde," zei de president, in een pauze, waarin de onbekende in gebreke bleef en zijn naam niet noemde; "Indien u het beknopt wilt houden, spreekt u maar."

 

Hoofdstuk 9 - De onbekende spreekt

 

"Er werd gezegd dat het enkel door dromen kwam, waardoor men in een ander zelf of ziel en een toekomstig leven geloofde. Laten we vaststellen, dat zijn argumenten bekwaam gepland zijn, als u wilt, en goed berekend om de onnozele in een val te lokken, maar dit zal geen stand houden."

Een gemopper van afkeurende stemmen onderbrak hier de spreker en hij werd enkele momenten verhinderd om verder te gaan. Deze onderbreking zou waarschijnlijk voortgeduurd hebben, zolang de onbekende was blijven staan, indien hij zich niet met een bevelende stem tot hen had gewend.

"Stilte ! Laat me spreken. Ik heb er recht op. Als ik klaar ben mag u mijn woorden naar believen gebruiken."

Na een moment stilte vervolgde hij: "Dit is een specifiek maar bedrieglijk argument, allemaal gebaseerd op een blinde veronderstelling. De ware grond van een geloof in een ziel berust op het feit dat dit vanaf de geboorte in de harten van alle mensen geschreven is. Het is de stem van God, die spreekt in zijn binnenste, welke iedereen horen kan, als hij dit wil. De allereerste van de voorhistorische rassen der mensheid, die een eenvoudig, kinderlijk, landelijk leven leiden en die hun bestaan vonden in de ruwe producten der natuur, onwetend van kunst, luisterden naar die stem. Deze werd hen door de ingeving vanuit de Heer, die in het innerlijk van hun gedachten vloeide. Het leerde hun, dat er een God is, die vereerd moest worden, dat de mens voor eeuwig zou leven, dat er goed en kwaad was, en dat hij , die goed en wijs was, het kwaad vermijden en het goede moest kiezen. Deze innerlijke stem van God werd na een tijd overheerst door de stem van buiten het gesprek met de goddelijk geïnspireerde engelen, en tenslotte het geschreven Woord, dat aan de mens werd gegeven. Het "Goddelijk Ware" heeft dus vanaf de aller-oudste tijden op de wereld tot nu toe bestaan. Dit geschiedt, omdat er daardoor communicatie zal zijn tussen de hemel en de aarde, waardoor de mens tot in eeuwigheid in een gelukzalige staan kan leven. Ik werd onderwezen, dat maar weinig van die oude mensen niet in de Hemel zijn opgenomen, die bevolkt werd door de primitieve rassen op aarde. In het begin waren er maar enkelen die geen gehoor gaven aan de universele invloeiing van boven. Wanneer de uiterlijke stem der openbaring werd gehoord, weigerden alleen de verdorvenen, naar die stem te luisteren. Maar de mens werd niet gedwongen. Hij werd steeds in vrijheid gelaten. In de loop de eeuwen sloop een groeiende corruptie in. Er was een dageraad, de middag, de avond en de nacht en weer en nieuwe morgen. Uit de overblijfselen van de goeden verrees een nieuw ras en een nieuwe beschaving. Er werd hun een nieuwe openbaring gegeven, om hen door de middag te leiden en om voor hen de avond en de nacht terug te dringen, waartoe hen de groei van het boze zou drijven. Zo is men na vele eeuwen tot het tegenwoordige "Goddelijke Woord", de Kerk en de beschaving gekomen, die nu op aarde bestaat. Niet de nutteloze dromen en niet de op zichzelf aangewezen mens, zoals u zo blind pretendeert, maar heeft de stem van God tot hun innerlijk gesproken. Daaruit leerde de mens van buiten om, dat hij en ziel heeft en dat er een toekomstig leven is.

"Er werd gezegd dat de verschijnselen der natuur, die op de maagdelijke geest van de primitieve mens werkte, verschillende goden en legendes heeft geproduceerd en dat deze de voorouderlijke stam van gevestigde systemen waren, welke daarop volgden. Ik heb geleerd dat de waarheid anders is en dat de verbijsterde Assyriërs, Egyptenaren, Grieken en Romeinen, in feite elke mythologie in en simpele religie vond,die was voortgekomen uit een prehistorische eeuw. Dit was een religie, die tot leven kwam door een vroegere openbaring, een religie met de kern als aanbidding van de enige God. In de loop der volgende eeuwen, toen de vroegere intelligentie, begrip en onkreukbaarheid van het ras achteruit ging, kregen de verschillende eigenschappen van de éne God een naam.

De verschillende kenmerken gingen een zelfstandig, individueel leven leiden. Als begeleidend verschijnsel van een diepere val werden de verschillende eigenschappen van de éne God vermenigvuldigd in meerdere valse goden. Dan en dan alleen ontstond het meer godendom in de oude historische koninkrijken, bovendien de verwarde en verdorven geloofsovertuigingen van de heidenen en de wilden.

"U bespot de gedachte aan een hemel, die allen die ooit hebben geleefd, kan omvatten, terwijl u niet weet of er zich om bekommerd, dat het natuurlijke heelal eindig en meetbaar, maar het geestelijke universum oneindig en onmeetbaar is. Daarom denkt u dat het geen wonder is, wanneer de wilden zeggen dat, dat de materiële atmosfeer zó dicht bevolkt is met geesten, zodat niemand zich bewegen kan zonder de ander te duwen. Dit voorbeeld wat u gebruikt dient ter bevestiging van de oude, zuivere religie als de hoofdbron van latere, verwarrende mythologieën. In de middag van die vroege, ware religies wist en erkende men, dat de geestelijke wereld of het universum geen kwestie was van een materiële afstand, maar dat zij als het ware binnen of boven was, zoals de ziel binnen of boven het lichaam is. De verhouding tussen ziel en lichaam is één, precies zoals de verhouding tussen gedachte en spraak. Deze idee, gelijk alle andere erkende waarheden van die vroegste tijd, was na verloop van eeuwen verdorven, lomp en gematerialiseerd geworden. Daarom kunt u het nu bij gedegenereerde afstammelingen terug vinden in de vorm van een geloof in de tegenwoordigheid van geesten in de omgevende materiële atmosfeer.

"Er werd hier gezegd dat de mens geen onsterfelijke ziel bezit en alleen maar een verbeterd beest is, omdat de structuur van de beenderen op die der dieren lijkt. Hoe kan hij gelijk zijn aan en dier, vraagt u, zonder dat hij afstamt van een dier? Ik zal het u vertellen. Hij lijkt op een dier, of beter, het dier lijkt op hem, omdat ieder ding in de natuur, van het grootste tot het kleinste op zijn eigen wijze een beeld van de menselijke vorm is, en omgekeerd is het een beeld van de alles scheppende goddelijke vorm, waaruit ieder mens, elk dier en plant leeft en het dagelijks leven trekt. Dat wil zeggen dat het scheppende Goddelijke ingeprent zit in de stof en de structuur van alle geschapen dingen.

U heeft de foetus van een vis, een hond en een mens met elkaar vergeleken, omdat zij in de vroegere staat van hun ontwikkeling dezelfde zijn. U beweert dat zij in essentie van een en dezelfde afstamming zijn. Blinde leiders der Blinden. Hebben uw eigen microscopische onderzoekingen u niet geleerd, dat, hoe dieper u in de voorwerpen der natuur doordringt, hoe ingewikkelder, wonderbaarlijker en onverklaarbaarder zij worden? Wanneer u verbijsterd bent door de natuur zelf, die alleen maar de uiterlijke bedekking of schors is, wat weet u dan van de geest? Wat weet u van de innerlijke, geestelijke vormen, die deze foetussen bezielen en van hen, ofschoon uiterlijk dezelfde, drie verschillende dingen scheppen, waarvan allen van hen de ziel van een dier dragen, maar de derde de onsterfelijke ziel van een mens ontwikkeld?

"U bent gewend om te zeggen dat u in God zou geloven, als u hem zou kunnen zien. Hypocrieten! U zou hebben geloofd als u dit gewild zou hebben, want de gedachte van de éne God is als een goddelijk mens vanaf zijn geboorte in ieder schepsel ingeschreven. U weigert iets anders te geloven dan aan zulke dingen, die zichtbaar of toonbaar zijn aan de grovere zintuigen. U minacht de gedachte aan een toekomstig leven; desondanks leeft u in het volgende leven hetwelk u nu belachelijk maakt. U heeft uw begrip zó zeer vervalst en vervormd dat u licht ziet als donker en donker als licht. Mocht het u gegeven zijn om de Hemel te zien, dan zou het voor u een hel zijn. U bedekt uw ogen met eigen handen. De wijsheid van de edele voorouders, die zich gradueel van innerlijke naar uiterlijke dingen verwijderde is met u naar het stof der aarde gezakt, waar het zich als een kruipende worm, die alleen maar het stof ziet en weigert te geloven dat de sterren schijnen in de Hemel."

Toen deze koene woorden langzaam en helder werden geuit door de lange onbekende daar boven in het circus, zaten de toehoorders gebiologeerd,-niet uit liefde maar uit haat, door wat er gezegd was. Een overmeesterende sfeer, die van de spreker uitstraalde, scheen tot orde en aandacht te dwingen. Afgewende bleke gezichten en gebalde vuisten van de professoren duidden duidelijk aan, dat zij tegen hun wil bleven zitten, en bedwongen werden door een invloed, die zij niet konden trotseren. Bij intuïtie wist ik dat, zodra het laatste woord van de spreker geuit zou zijn, de betovering zou zijn verbroken en de hel zou losbarsten. Dat was ook zo. Er was een moment van doodse stilte. Dan stond het hele huis vol als één man op. Zij schreeuwden kreten van spot en haat. Ik keek in Alaric zijn ogen. Zonder een woord sprongen we aan de zijde van de spreker. Zo goed als we konden baanden we ons met onze schouders een weg.

"Grijp hem!" klonk de woedende schreeuw. "Laat hem niet ontsnappen. Hij moet tot zwijgen worden gebracht!"

Wij wisten dat zij hem zouden doden, als zij dit konden. Na en ademloos, zenuwslopend gevecht kwamen we tenslotte nader. Dan kwam het als een schok van grote verbijsterde vreugdevolle verrassing over me heen, dat de onbekende ongedeerd en niet aangeraakt was. De gewelddadige handen, die hem bedreigden, waren machteloos en niet in staat om hem letsel toe te brengen. Daar stond hij, gekleed in glimmend witte gewaden in een sfeer van zacht licht, dat zich tegen het donkere circus in een opzienbarende verlichting, dat zich tegen het donkere circus en de donkere figuren aftekende, veilig, alsof hij stond temidden tussen twee stenen wanden. Daar ik wat achteraan stond, kon ik zijn gezicht niet zien, maar ik zag de witte kleren en dat zachte licht, en de menigte die terug week, alsof zij door een machtige hand opzij geworpen werd. Hij wandelde statig met bedaarde, onbevreesde waardigheid door de vijanden heen ging door het circus aan het andere einde van het circus naar buiten. De menigte om me heen verspreidde zich. Ik was vrij om achter hem aan door de deur te rennen. Maar toen ik naar buiten keek was hij verdwenen.

Was het een droom? Ik draaide me om, legde mijn hand boven mijn ogen en keek naar het circus. Nee, het was geen droom. Er had zeker een vreemde onderbreking plaats gevonden. Want nu aanschouwde ik een verbazen tafereel. De professoren en twee derde van de studenten zaten op hun plaatsen. Zij hadden hun hoofd bedekt met de wijde mouwen van hun toga. De rest van de studenten was naar de circusdeur gedrongen en zij converseerden met lage, opgewonden stemmen. Een tweede blik zei me dat zij met zijn tweeën en drieën de hal verlieten en vlug vertrokken. Onmiskenbaar waren zij verontrust door wat er gebeurd was en hadden zij misschien het geloof in hun docenten verloren. Toen ik terug keek naar de professoren en studenten, die hun hoofden hadden bedekt,flitsten gewisse woorden, die de engel - want het kon alleen maar een engel geweest zijn - door mijn geest: "Jullie bedekken je ogen met eigen handen, jullie zijn als wormen die in het stof kruipen, terwijl jullie alleen maar het stof zien en weigeren te geloven dat de sterren in de Hemel schijnen."

Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Hoewel ik zo spoedig mogelijk wenste te vertrekken (Alaric was blijkbaar al weg), ging ik zitten, om te zien wat er gebeurde. Ik behoefte niet lang te wachten. Na enkele minuten ontblootte de president zijn hoofd. Hij keek dom om zich heen en zo deden eveneens de andere professoren en studenten.

"Wat is dit! Hebben we geslapen?" hoorde ik de een de ander vragen.

"Ah, ik herinner me," antwoordde een van de professoren vrolijk, dat een gestoorde hier binnen wandelde en ons met wat kinderlijk geklets onderbrak. Men had hem er uit moeten gooien."

"Ah, ja, ja, ja! Dat was het !" riepen verschillende anderen, die met vuur op deze verklaring ingingen.

"Laat ons verder gaan," zei de president hoogdravend. Het is mijn aangename plicht om te laten zien dat deze kwestie bewezen is.

Mijn mening is, dat de bekwame argumenten waar we naar hebben geluisterd, een solide basis hebben door redelijkheid en ondervinding. Zonder twijfel bewijzen zij dat de mens alleen maar een verbeterd beest is. De aanspraak op en onsterfelijke ziel is niet meer dan een absurde droom.

Een zeer enthousiast applaus begroette deze uitspraak van de voorzitter. Terwijl dit aanhield, stond ik op, bevangen door een blijkbaar fysieke benauwdheid, en rende naar de buitenlucht. Ik keek om me heen en was benieuwd wat er van Alaric geworden was. Enkele minuten stond ik daar zo en wandelde toen langs een weg van 75 à 100 yards lang, naar het zandige plein, ontblootte mijn hoofd en dronk met lange teugen de frisse lucht in. Plotseling werd ik me bewust van een vreemde, prettige verschijning aan mijn zijde. Ik draaide me om en zag de figuur van een man. Het was donkere nacht, maar het gezicht van die man was duidelijk te zien in een kring van zacht licht, dat hem scheen te omringen. Mijn hart sprong over in mijn borst. Dit gezicht kende ik met die gouden baard, deze mooie ogen met een nobele uitdrukking. Het was de engel Ariël.

Overweldigd door verrassing en blijdschap, maakte ik een buiging met iets van vrees, zodat ik voor zijn voeten gevallen was, indien hij me niet vriendelijk en vast met zijn hand staande had gehouden.

"Je was me niet vergeten," zei hij.

Die rijke, warme stem! - Had ik die niet gehoord gedurende het laatste uur? "Ah! - was u het," hijgde ik - "was u het die zo-even sprak in het gymnasium?"

"Dat was ik."

Dan was er een ogenblik stilte - dan: Zij zijn krankzinnig," zei ik. Nadat u zo-even weg gegaan was zag ik dat zij hun hoofden bedekt hadden. Zo net zeiden zij dat zij geslapen hadden. Zij weigerden hun eigen ogen te geloven.

"Ik wist dat zij niet zouden luisteren en sprak niet voor hen. Ik sprak alleen voor diegenen, die hun oren nog niet volslagen gesloten hadden voor hemels onderwijs. Mijn woorden waren voor jou en die jonge studenten, die nu hun dwaze, vooringenomen leraren lieten varen en die liepen in de richting van plaatsen waar hun de waarheid zal worden verteld."

"Ik dank God dat u kwam," zei ik. "Er is mij veel helder geworden wat eerst duister voor me was. Leer me, o goede, vriendelijke...

Niemand is goed dan die éne God," onderbrak de engel. "Kom mee," vervolgde hij na een ogenblik, "dan zul je de staat van deze natuuraanbidders zien, nadat zij hier een korte tijd zijn geweest."

Hij keerde om en ik volgde hem door het zand in noordwestelijke richting. Toen we de school passeerden, zagen we dichtbij twee van die professoren,die een luchtje aan het scheppen waren, voorbij wandelen, maar ons waarschijnlijk niet zagen.

"Weet je," zei een van hen, op een heftige, ongeduldige manier, dat ik reeds op twee halfronden beroemd ben en dat Christopher Columbus alleen maar een manitou legende was van de Amerikaanse Indianen. Het publiek zal daarom te meer gereed zijn, om de bewijzen te accepteren, die ik naar voren tracht te brengen, zodra Koningin Victoria sterft, dat de legendes werkelijk niet meer betekenen dan de oude Britse Zonnegodlegendes.

De luisteraar gaf en onduidelijk antwoord en die twee verdwenen uit het gehoor. Na een zeer korte wandeling waren de verlichte vensters van de school uit het gezicht verdwenen. We stonden voor een lang, laag gebouw van steen. Het was zwart als pek. Vanuit de smalle, onregelmatige ramen stroomde een zwak licht. Toen we op de deur klopten, vlogen enige grote vogels op met een paardengeluid, vanuit een afgeknotte boom in de buurt en fladderden weg. De lange, schorre halen van hun vleugels deden denken aan de gieren in de natuurlijke wereld.

"Tot zulke plaatsen komen zij, sommigen na een jaar, anderen eerder," zei de engel. Zij treden dan in hun nieuwe, innerlijke staat. In de geestenwereld passeert de mens drie staten. De eerste is hun uiterste staat, in die hij schijnbaar net als in de wereld is, waarin hij voorzichtig en beschaafd handelt met een vriendelijk voorkomen van een veinzer, ofschoon hij innerlijk slecht is. Maar omdat het hier niet geoorloofd is om een gescheiden geest te hebben, dat men slecht denkt en goed doet, - komt hij na een tijd in de staat van zijn innerlijk, waar hij, als hij goed is, vrij uit spreekt en handelt,na wat zijn hart hem ingeeft. Maar wanneer hij slecht is, laat hij zich niet weerhouden zijn werkelijke gedachten te uiten en te handelen uit boosheid, zoveel als maar mogelijk is. In deze staat zoekt hij moedwillig zulke plaatsen aan de grenzen van de hel, die uiterlijk met zijn karakter overeen komen, zoals hier het geval is. Bij de bozen zijn de tweede en de derde staat dezelfde, maar voor de goeden is de derde staat die der voorbereiding voor de Hemel. De natuuraanbidders, die zo pas zag, zijn nog in hun uiterlijke staat. Nu zullen we hen zien, die beslist in hun innerlijke staat gekomen zijn."

Er verscheen een bewaker met een lantaren. Hij opende de deur met een onaangenaam geluid als van slangen en de slagbomen. Hij vroeg ons hem te volgen door een donkere, lange gang naar een grote kamer, die ca. 25 man kon bevatten. Sommigen zaten aan tafels te schrijven, anderen liepen al pratende heen en weer, terwijl sommigen in dromen verloren op hun plaatsen zaten. Allen zagen er vroeg oud en gerimpeld uit. Zij waren afschrikwekkend door hun kwade uitdrukking op hun magere gezichten en hun glazige ogen, die later in het gedempte licht der kaarsen de plaats verlichtten, die schenen te branden en krankzinnig glinsterden, verteerd door hartstocht.

De engel voerde me van de ene groep naar de andere en stelde vragen aan verschillende van hen vragen.

"Wat schrijft u, vriend? informeerde hij hoffelijk aan iemand, die met pennen en papieren aan een der tafels zat.

"Een werk over alle filosofieën, die ooit bedacht werden, te overtreffen," was het antwoord.

"U poogt een moeilijke taak te verrichten."

"Ja maar om zo groter is de eer bij succes. Geen angst, ik zal slagen. In de eerste plaats heb ik het genie van een God; in de tweede plaats zal ik een wondervol resultaat bereiken door mijn gedachten zó ingekleed en duister uit te drukken, zodat het onmogelijk is om precies te zeggen wat de bedoeling is en de lezer denkt, dat de meest diepzinnige dingen worden verklaard. Verschillende hebben dit vóór mijn tijd geprobeerd, maar niemand zo knap als ik. In de derde plaats verwacht ik de voorbeeldloze prestatie en stelling te demonstreren en onmiddellijk het tegendeel te bewijzen." Hij voegde er echter aan toe, dat dit gemakkelijk genoeg was. Er waren altijd schijnbare redenen, die geciteerd konden worden, om welke stelling dan ook te bewijzen, hoe absurd die ook mocht zijn.

"Je herinnert me aan een man, waarvan ik eens hoorde," zei de engel, "die kon bewijzen dat een kraai wit was en ook dat hij zwart was. De kleur zit hoofdzakelijk in de jas," zei hij. Verwijder de veren en je zult zien dat de werkelijke kraai wit is. Zichzelf aanvullend, om het tegendeel te bewijzen, beweerde hij dat de ware kraai zwart is."

"Dat is een uitstekende illustratie van mijn idee," schreeuwde de filosoof, verheugd. "Ik zal er in mijn boek gebruik van maken."

Een andere bewoner van die kamer informeerde ons, dat hij betrokken was bij een wetenschappelijk onderzoek, waarvan hij verwachtte, dat die hem in staat zou stellen, om een eigen planeet te bouwen en daarna misschien een heelal. Wanneer hij dat had volbracht, zou hij zichzelf tot God verklaren. Gewaarschuwd, om niet al te overmoedig te zijn op succes in een dergelijke loopbaan, sprong hij woedend op.

Zijn blikken en woorden waren wild, maar toen hij merkte dat een bewaker naderde, aarzelde hij en kwam direct tot bedaren. De engel legde me dan uit dat er altijd bewakers waren ( ook in de hel ), om de bozen ervan te weerhouden de ander te kwetsen.

Een andere bewoner deelde ons mee, dat hij bezig was met te bewijzen, dat vrijheid om misdaden te begaan het zogenaamd onvervreemdbare bezit van een oppermachtig mens was.

"Hoe dan ook, wat is een misdaad, toch alleen maar een zienswijze?" De Christenen zeggen dat we dit en dat niet moeten doen, de wilden, dat we niet zo en zo moeten doen, en ik zeg dat we moeten doen wat we willen. Er bestaat niet zoiets als zonde. De enige misdaad is alleen de gruwelijke geringschatting der zogenaamde criminelen."

Op de vraag wat zijn roeping was, antwoordde een van hen, die in dromen verloren was, afwezig: "Atomen, cellen, lichaampjes, nevelvlekken, protoplasma." Toen de vraag herhaald werd, antwoordde hij: “Protoplasma, nevelvlekken, lichaampjes, atomen."

"Wanneer hun staat dusdanig wordt, dat zij hier niet langer kunnen blijven," zei de engel, toen we later in de frisse lucht waren, "worden zij naar een eeuwige werkplaats gebracht in de hel, waar zij in een soort orde worden gehouden, omdat zij gedwongen worden voor hun dagelijks brood te werken en waar zij steeds dieper zinken in hun krankzinnige fantasieën. Zij moeten kwellingen lijden, omdat het hun niet toegestaan wordt hun slechte wensen te bevredigen.

 

Hoofdstuk 10 - Een afscheid en een ontmoeting

 

Toen we naar buiten gingen, vlogen nog meer donkere, lelijke vogels met een harde schreeuw vanuit een halfvolgroeide boom de lucht in. Ik week terug. Bevreesd greep ik de arm van mijn begeleider, toen een lange, kromme figuur, die alleen een enorme slang kon zijn, snel over onze weg gleed.

"Deze dingen, die voor ons verschijnen, zijn representatief en corresponderen met de staat van die mensen, die we zojuist hebben gezien," zei de engel, geruststellend. "In streken waar zij wonen wier geesten met valsheden bewolkt zijn en die in krankzinnigheden vervallen van aanmatigende intelligentie, verschijnen als verschrikkelijke vogels en gevaarlijke reptielen. Maar waar de geest helder,, echt en redelijk is, door de kennis en de liefde voor onvervalste waarheden, daar worden mooie vogels en andere welgevallige dieren gezien. Dit komt omdat alle dieren overeenstemmen met goede of boze neigingen. Vogels stemmen in het algemeen overeen met eigenschappen van de geest of met intellectuele dingen. Dit was reeds aan de ouden op aarde bekend. Drom gaven de Grieken vleugels aan het paard Pegasus, onder welk embleem zij zich het menselijk intellect voorstelden en de gave en de macht om omhoog te stijgen, of zichzelf boven aardse dingen te verheffen en over godsdienstige dingen te peinzen.

"En was niet een langzaam gewaarworden dezer vergeten waarheid," vroeg ik, gespannen, "de oorsprong van de uitdrukking zweven gebruikt bij een vlucht van de verbeelding of het intellect?"

"Ongetwijfeld. Alle beeldspraken hebben hun oorsprong in deze kennis der overeenstemmingen bij onze voorgeslachten."

De lichten en de vage omtrek van de school zagen we nu recht voor ons. Wij kwamen nader en stopten bij die rots waar Alaric en ik ‘s-morgens hadden gerust. De engel ging zitten en vroeg me om naast hem te zitten. Dan hernam hij zijn onderricht.

Tenslotte vatte ik moed om met hem te praten over mijn wens, om te beginnen aan de plichten van een permanent beroep. Ik beleed mijn streven om naar een leven van hemels nut te gaan, gelijk aan het zijne. Na veel aarzeling waagde ik het met een omhaal van woorden te zeggen, trillend van vrees voor wat zijn houding zou zijn tot mijn arrogantie. Maar in plaats van een berisping voor mijn verwaandheid en een neiging tot eerzucht, nam hij mijn hand in een warme greep en zei ernstig, maar blij, "moge de Heer met u zijn en je vooruit helpen mijn broeder."

Ik kon niet praten, zó groot was mijn geluk. Tranen van ontroering vulden mijn ogen toen ik eerbiedig de handen van de engel kuste. Hik sprak een lange tijd met me en verzekerde me ernstig, dat, waar ik naar uitkeek, te zijner tijd zou gebeuren, indien ik dit serieus wenste, zodra ik er klaar voor was. Ik zou door vele verzoekingen moeten gaan en ik moest ernaar streven mijn kwade eigenschappen te bestrijden, mijzelf van deze verlossen, - en intussen leren blij te doen wat de Goddelijke Voorzienigheid op mijn weg bracht.

"Wat moet ik doen om mijn boze neigingen te verdrijven?" vroeg ik verlangend.

"Mogen je gebeden vooral je ogen open houden om het kwaad speciaal in jezelf te zien en te erkennen. Bid dat je er steeds toe geleid mag worden om het ware te denken en in dat licht wijs te handelen."

"Het is maar al te waar dat mijn ogen niet altijd open zijn," zei ik. "Er zijn tijden waarin ik in het geheel niet kan zien dat er kwaad in me is."

"In zulke tijden raad ik je, om jezelf goed te onderzoeken," was het snelle antwoord," niet zorgeloos, maar willens en wetens en met ernstige vastberadenheid. Onderzoek, hoe diep je gedachten zijn en de bedoeling in je hart. Vraag jezelf af welke dingen je boven alles lief hebt. Geloof, dat elke dwang wordt verwijderd, dat geen noodlottige gevolgen de last van enige zonde zullen volgen, onderzoek en zie of je in dat geval nog steeds de wens hebt om met volledig fatsoen te handelen, en met eergevoel en gerechtigheid. Stel jezelf deze vragen en houdt dit met open hart voor ogen: "Heb ik de waarheid lief om de waarheid zelf, of omdat ik dacht wijs en goed te zijn? Houdt ik van het goede omdat het uit de hemel is en haat ik het kwaad, omdat het uit de hel is?

Wil ik de plichten doen in een eerbaar beroep, om de Heer te dienen en nuttig zijn voor mijn naaste, of uit eerzucht om voor mijzelf een naam en een plaats te creëren. Is mijn naastenliefde gericht op de plichten omdat ik geroepen ben of om goed en wijs gevonden te worden. Ben ik geneigd hem recht te doen, zoals ik het mezelf zou hebben gedaan, of heb ik er wel eens plezier in om onrechtvaardig tegen hem te zijn, al is het maar in geringe mate? Heb ik de neiging plezier te vinden in kleinering en overdrijving van de werkelijkheid, die hem schijnt te beschuldigen? Laat me goed nadenken eer ik antwoord.

Heb ik mijn vrienden lief om het goede dat in hen is, of om hun mooi uiterlijk, om zijn gunsten of zijn spitsvondige strelingen of andere kunstgrepen, teneinde zichzelf welgevallig te doen lijken?"

"Vind ik genoegen in slechte daden in naam van liefdadigheid? Excuseer ik zekere fouten in mezelf en veroordeel ik deze in anderen? Veracht ik mijn beledigingen, als zij in mijn herinneringen opkomen en me beschuldigen, of verontschuldig hen in mezelf. Erken ik ze in al hun afschuwelijkheid en heb ik er berouw van?"

"Neigen mijn gedachten naar een eerlijke, vaste liefde voor één vrouw, of beschouw ik met plezier de liefde van verschillende?

"Wanneer ik een goede daad heb gedaan, schrijf ik die toe aan de Heer of aan verdienste van mezelf?"

"Erken ik de Goddelijke Voorzienigheid in alle dingen van het leven en buig ik nederig mijn ziel tot de Heer God als de bron van de oorsprong van alle leven, van het ware en het goede, en erken ik waarlijk dat ikzelf volkomen slecht ben, zonder de invloed van boven?"

Al luisterend naar deze diepzinnige vragen, verdween de grote gelukzaligheid van het laatste uur. Ik werd gegrepen door verootmoediging en droefheid. In een bliksemschicht zag ik, dat ik zeker beschuldigd zou worden.

"God helpe me !" riep ik in angst. "Ik ben schuldig. Ik kan deze vragen niet naar waarheid beantwoorden. Er is voor mij geen hoop."

Ah, maar er is hoop," verzekerde hij me vriendelijk. "Zou het niet zo zijn, dan zou u nu niet geduldig luisteren naar onderricht. Je begon reeds in de wereld tegen het kwaad te vechten en allen die dus een werkelijk begin maken, beëindigen hier hun werk. Ga alleen maar zo door. Houdt deze en soortgelijke vragen in gedachten. Streef ernaar om te zoeken naar de eisen, die gevraagd worden en je zult op deze weg vorderen. Alles welbeschouwd is het niet zo moeilijk, wanneer men dit alleen maar voortduren probeert, met volharding en vastberadenheid."

Kort nadat hij deze woorden gesproken had stond de engel plotseling op en zei; "Ik werd geroepen en nu moet ik je verlaten."

"Hoe werd u teruggeroepen ?" vroeg ik, want ik liet hem niet graag gaan."Er kwam geen boodschapper om u te ontbieden."

Niettemin, ik werd terug geroepen," zei hij. In het zachte licht,dat zijn gelaat omhulde, zag ik een glimlach op zij lippen. "Ik zal de Heer bidden u weer te mogen zien," zei ik.

Indien je dit doet en echte behoefte hebt, zul je me zonder twijfel terug zien," zei hij met stellige overtuiging.

Ten afscheid drukte hij me warm de hand, keerde zich om en wandelde weg in de duistere nacht. Alleen gelaten, stond ik enige minuten stil, nadenkend over wat hij tegen me had gezegd en overzag de gebeurtenissen van deze avond.

"Het moet wel ver na middernacht geweest zijn," dacht ik tenslotte. Ik stond op en keek om me heen.

Wat moest ik doen? Er scheen bijna geen licht meer, noch vanuit de school, noch van de kwartieren van de studenten. Daarom was er geen kans voor een nacht logeren. Daartoe had ik zelfs niet kunnen besluiten om deze aan te nemen. Wat doen? Terug marcheren naar de Nieuwkomers? Het zou ochtend zijn eer ik daar aan zou komen. Bovendien wenste ik met Alaric te praten, voordat ik de buurt verliet. Toen ik aarzelde, was ik benieuwd, hoe ik me zou voelen, als ik de rest van de nacht uitgestrekt in het zand zou liggen. Dan zag ik hoe zich een figuur tegen het nachtelijk duister aftekende. Een stem riep zacht; Ben jij dat, Burton ?"

Het was Alaric. Blij greep ik zijn hand. We liepen een par stappen terug en we zetten ons samen op de vlakke rots, die nu een vertrouwde vriend was. Na een kort gesprek over de gebeurtenissen van de avond, zei ik, snel," Kom vriend, laten we deze buurt onmiddellijk verlaten."

"Waar gaan we heen?"

"Overal naartoe, als we maar deze plek verlaten. Eerst terug naar de Nieuwkomers, en dan misschien naar een of andere stad en tenslotte naar een hemelse stad, als het geluk, of wel de Goddelijke Voorzienigheid daarheen zal leiden."

"Het zou prettiger zijn dan de reis alleen te maken," viel Alaric peinzend bij. "Maar hoe komen we dat te weten? Het is misschien niet de bedoeling dat we beide samen de reis zullen maken, maar dat een ieder van ons zijn eigen individuele verzoekingen zal moeten doorstaan."

"Ongetwijfeld heb je gelijk, maar toch mogen we wel voor enige tijd met elkaar gaan," zei ik. "Hier zullen ons zeker gemeenschappelijke gevaren bedreigen."

"Dat is een gevaar," zei Alaric,op een afwezige manier. "Ik zou het liefst terstond gaan, maar niet, wat mijn twee dierbare vrienden betreft. Ik -werkelijk, ik kan hen nu niet de rug toedraaien, voordat ik nog iets meer met hen heb gepraat. Zou je niet op me willen wachten, Burton, tot ik nog iets meer met hen heb gepraat ?" Deze vraag werd haast smekend gesteld.

"Nee, antwoordde ik beslist, hoewel ik door zijn toon geroerd was. "Dat zou verkeerd zijn." "Hoe kun je, vervolgde ik, na deze redevoeringen nog hoop hebben ? Dit zou je ogen geopend moeten hebben. Ik zeg dit openhartig."

"Zij geloven er niet echt in - dat denk ik," zei hij, met droefheid, die in zekere mate zijn woorden vertolkte. Zij zijn bevangen door een soort bevlieging voor lering en bekwaamheid."

"We moeten onze vrienden liefhebben vanwege het goede dat in hen is en voor niets anders," was mijn repliek, toen ik me de woorden van de engel herinnerde van de engel Ariël.

"Het lijkt me niet toe,dat ik om iets anders van ze houd," zei hij met een zucht. Het zijn zulke goedhartige jongens, - werkelijk, zij zijn veel beter dan je denkt."

"Dat is alleen de buitenkant," zei ik. "Beminnelijkheid is een gemakkelijk te dragen masker. Wanneer dat de test zou zijn, wie zou zich dan niet voor kunnen doen als een engel des lichts."

"Misschien ben ik niet beter dan zij," zuchtte Alaric.

"Als je voor dit soort zaken je principes laat varen," zei ik, zonder medelijden," zul je erger worden dan zij. Wie ben jij om de Voorzienigheid voor hen te spelen? Indien zij gered kunnen worden zal de Heer ze redden."

"De Heer gebruikt me misschien als instrument," was het ernstige antwoord.

Ik voelde daarin een berisping. Ik dacht echter dat ik gelijk had, maar zag dat zijn besluit vast stond. Ofschoon de gedachte alleen al me pijn deed,werd het me duidelijk dat ik hem moest verlaten. "We moeten dan scheiden," zei hij, bijna ademloos. Toen we opstonden hield hij mijn hand lang vast. Zijn gezicht kon ik niet zien, maar ik wist dat hij met zichzelf streed, om zich onder controle te houden.

"Dag goede vriend," zei ik. Ik vertrouw erop dat we elkaar binnenkort weer zullen zien."

"Tot ziens," herhaalde hij. Hij legde zijn linker arm om mijn schouder, bijna rond mijn nek - toen hij sprak." we hadden goede broeders kunnen zijn," zei hij.

 Dan verwijderden we ons haastig van elkaar en gingen ieder in de tegenover gestelde richtingen.

"Het is het waard om te streven naar de liefde van een warm hart zoals het zijne, dacht ik daarna. "Toch had ik gelijk en hij ongelijk."

Later, tijdens het verder wandelen, begon de duisternis te wijken. Ik had nog niet lang gelopen, toen de zon op ging. Nu draaide ik me om en keek terug naar het "College der Wijzen", maar het was nu uit zicht, achter de zandvlakte verdwenen. In mijn verbeelding schilderde ik me de "Wijzen," die opstonden, zich op de dag gingen voorbereiden en zich weer klaar maakten om hun wijsheden bij de blinde leerlingen in te prenten. Ik stelde me voor, hoe zij een voor een in hun innerlijke staat werden gebracht, waar zij hun maskers afnamen, vertrokken uit de trotse muren van de school en dan stopten in het tussen liggende huis van voorbereiding, dat de engel mij liet zien. Daarna zouden zij benedenwaarts gaan naar de diepten, die ik niet kende en waarvan zij nooit terug zouden keren.

En Alaric - het deed pijn om aan hem te denken.

Na enkele uren rust in de herberg, laat in de morgen, ging ik wandelen in een bevolkte straat van de stad der Nieuwkomers. Arme Alaric zijn sterke gehechtheid voor zijn twee dwalende vrienden was steeds in mijn gedachten.

Tijdens het wandelen stelde ik me de vraag:

"Zou er iemand kunnen zijn, die ik vrienden noemde en die mij zouden kunnen beïnvloeden? Bezit ik wel zulk een vriendschappelijke liefde voor een of ander schepsel?

Ik niet. Stop een moment. Daar is de dierbare, dierbare vriend, mijn neef Paul.

"Ah, ja, mijn neef Paul ! Waarom heb ik niet eerder aan hem gedacht? -hij, die mijn beste vriend op aarde was, en die, zoals ik weet, gevonden kan worden. Zijn intrede in de geestelijke wereld vond maar vijf maanden eerder plaats dan de mijne. Werd ik op enige goede gronden tegen gehouden om hem te ontmoeten? Maar stel eens, ik houd van hem en mezelf zou veroorloven mij door hem te laten beïnvloeden? Dit geval loopt niet parallel met Alaric en zijn twee vrienden. De invloed van een zó nobel mens als mijn neef Paul is niet een zaak om bang voor te zijn en om te schuwen. Dat zou niet recht zijn. Ah, ja, de vriend waar ik van houd, zou me kunnen helpen, zou grote dingen voor me kunnen doen. Waar is hij dan? Zou ik hem kunnen vinden!"

Aldus zat ik te denken, als het ware in een wervelende stroom van enthousiasme. Ik keek op en zag maar een paar voet van me vandaan een jonge man, wiens ogen voortdurend op me gericht waren. Het was een man van middelbare lengte met een prettig gezicht, een waardig gedrag en een serieus voorkomen van ongeveer dertig jaar oud. Hij glimlachte tegen me toen onze ogen elkaar ontmoetten. Met een gewaarwording van onvervalste blijdschap, herkende ik mijn neef Paul.

 

Hoofdstuk 11 - De man en zijn vrouw

 

Deze neef van me was zeker vijf jaar ouder dan ik, maar zelfs voordat ik volwassen werd, behandelde hij me als zijn gelijke, niet alleen in jaren, maar ook in ieder ander opzicht. Het mag onverstandig geweest zijn, maar daarmee won hij mijn blijvende genegenheid. Mijn neef Paul scheen mij de vriendelijkste en aangenaamste mens te zijn. Ik herinner me heel goed, hoe geduldig hij zijn eigen studies opzij zette, toen we nog op school waren. Hij spendeerde er een half uur aan om mij te helpen met enkele regels van Horace of Homer uit te leggen. Hij scheen nooit te moe om vriendelijke daden te doen en hij was steeds een buitengewoon populaire jonge man. Vaak verwonderde het mij dat hij zo gewillig zijn tijd kon offeren, die hij zo goed voor zijn eigen bezigheden had kunnen gebruiken. Mijn zuster was persoonlijk niet zo erg op hem gesteld als ik, maar wij waren het erover eens dat hij een zeldzaam onzelfzuchtige natuur had.

Soms vond ik het moeilijk om me met zijn religieuze principes te verenigen, want deze waren uitgesproken gebaseerd op de mystieke leer van geloof alleen. Alleen maar geloven in sommige dingen, onafhankelijk van liefde en het leven in de waarheid, was op zich genoeg ter wille van de zaligheid. Waarom zou hij zich druk maken om in deugd te leven. Het zou kunnen zijn dat hij hoofdzakelijk zo handelde, opdat de mensen goed over hem zouden denken, alleen maar om dankbaarheid op te wekken en zich de vriendschap te verzekeren voor het einddoel dat hij in gedachten had. Verontwaardigd verwierp ik deze gedachte al voordat zij zich ontwikkelde en geheel gevestigd was. Niettemin was ik me van een zekere tegenspraak bewust, wanneer ik over de religie van mijn neef na ging denken. Hij behoorde echter niet tot de agressieve strijder van een sekte van religieuze mensen. Uiterlijk leefde hij een onberispelijk leven, volhardend aan de grondstelling van zijn geloof. Niemand van al diegenen die ik kende zou het meer verdienen om in de Hemel te komen.

Mijn neef trouwde op zeven en twintig jarige leeftijd met Mary Gordon, een mooi jong meisje, die een groot fortuin erfde. Er was iets in dat huwelijk, dat ik nooit helemaal had begrepen - iets bezwarends betreffende mijn neef in de ogen van sommige kritische waarnemers - maar ik was er steeds zeker van dat hij niet werkelijk kwaad had gedaan. In die tijd, toen hij begon Miss Gordon bijzondere attentie te geven, was het bekend dat hij zich zou verloven (misschien was het al zo) met een zekere Edward Ray,een verdienstelijk architect van veel kwaliteiten maar weinig inkomsten. Hoe het gebeurde weet niemand, maar na eerst Paul zijn pogingen afgewezen te hebben ontwikkelde het zich anders. Haar houding veranderde en de jonge Ray werd afgewezen. Ik was toen erg verrast maar ik sprak mijn neef vrij van oneer, hoewel er toespelingen waren gemaakt op slimme intriges, die hij beraamde tegen Ray, om hem in een kwaad daglicht te plaatsen tegenover de vrouw die hij lief had. Er werd door sommigen gezegd, dat Miss Gordon Paul accepteerde vanwege zijn kwaliteiten op gebied van zaken, maar onze familie geloofde dat zij van hem hield. Twee jaar na de huwelijksdag werd mijn nieuwe nicht, van wie ik op een broederlijke manier was gaan houden, ziek werd en stierf. Ongeveer drie maanden later viel haar echtgenoot van de wagen en overleed onmiddellijk. Gedurende de weinige maanden, die verstreken voordat ik door mijn laatste ziekte werd gegrepen, dacht ik vaak aan hem. Ik stelde me hun vereniging voor in de geestelijke wereld. Zonder twijfel zouden zij beiden wensen om weer samen te zijn. Volgens mij zou geen vrouw gelukkiger kunnen zijn als de vrouw van mijn neef. Geen man kon zó gezegend kunnen zijn als de echtgenoot van mijn nicht Mary. Men kon zich mijn vreugde voorstellen, toe ik deze geliefde verwante en vriend herkende in de straat van de Nieuwkomers. "Hij is nog niet opgevaren ten Hemel," was mijn ogenblikkelijke gedachte. Dat zal zeker vlug gebeuren, ik ben er zeker van." Met ongeduldig verlangen liep ik daadwerkelijk op hem toe en riep zijn naam. Enkele momenten later wandelden we arm in arm de straat langs. Intussen stelden wij elkaar onnoembaar vele vragen.

"Is nicht Mary bij je ?" was een van mijn eerste vragen

"Ja." Was het mogelijk dat ik een gewisse gladde ring mistte, Die ik verwachte in dat "Ja?" Direct daarop berispte ik mezelf voor die reactie. Met welk recht kon ik verlangen van een man, dat hij zijn liefde zou belijden in de toon van zijn stem? Ik eiste te veel en had een rijke fantasie.

"Ja," zei mijn neef en je moet bij ons komen dineren. Zij zal blij zijn je te zien. Na het eten verwachten we enige vrienden, die je misschien ook graag wilt leren kennen."

Later stond hij erop dat ik met hem naar zijn huis zou gaan voor de lunch en ik stemde grif toe. Het huis stond in een van de mooiere straten. In het algemeen leek deze op hun vroegere huis in de natuurlijke wereld. Een warmer welkom dan nicht Mary me gaf, had ik niet kunnen krijgen. Zij was in alle opzichten dezelfde, beminnelijke vrouw, maar weldra merkte ik dat zij stiller was en dat zij een tikje lichte melancholie uitstraalde in haar terughoudendheid. In Paul was er eveneens een verandering, hoewel ik een tijdje nodig had om te zien wat dit was. Misschien zou men dit het beste kunnen aanduiden en zeggen, dat zijn gelaat een iets minder fijne uitdrukking had. In een gesprek was hij minder genegen om de serieuze kant van de gebeurtenissen te bekijken en daar een moraal in te zien.

"Wat woon je mooi en geriefelijk!" zei ik tot de echtgenoot en zijn vrouw, terwijl zij mij door hun luxueuze vertrekken leidden.

"Ja, Ah! ja, maar het is jammer," zei neef Paul, het is jammer dat mijn aanspraak hierop onbepaald is. Niemand weet wanneer het nodig is om er afstand van te doen."

"Ja, natuurlijk," zei ik; dit is alleen maar een stad voor een tijdelijk verblijf. We moeten hier niet langer blijven dan nuttig is."

"Wel, voor mijn part, ik zou hier wel altijd willen blijven," zei mijn neef en keek begerig om zich heen. "Voor mij is dit hemel genoeg."

"Je verbaasd me," zei ik en voelde me teleurgesteld. Ik keerde me om naar nicht Mary. "Zou je tevreden zijn met hier altijd te blijven?" vroeg ik.

"We zouden allemaal veel gelukkiger kunnen zijn dan we nu zijn," antwoordde zij, ontwijkend, nauwelijks naar me kijkend.

Vanaf dat moment was het duidelijk voor me dat zij een ongelukkige vrouw was. Ofschoon, het was evenzeer duidelijk dat zij dag na dag streed, om het niet te tonen. Maar in de geestelijke wereld is het niet mogelijk om dingen met succes te verbergen, zoals in de natuurlijke wereld, zelfs niet in de eerste staat. In de tweede staat kan iemands karakter worden gelezen als een boek. In nicht Mary's mooie bruine ogen was een deerniswekkend peinzen, als zij de kamer rondkeken, terwijl zij mijn vragende blik onmiddellijk ontweek. Ongelukkig was zij zeker - maar waarom ? Zou het kunnen zijn, dat zij alles welbeschouwd niet van haar echtgenoot hield? Hoe vreemd zou dit zijn! Wat kon zij meer verlangen dan deze man, in combinatie met een groot karakter, intellectuele bekwaamheid en een markante persoonlijkheid? Ik hoorde eens beweren, dat iedere goede vrouw elke goede man kon liefhebben. Ik had steeds geweigerd om zulke gevoelens te onderschrijven, omdat zij niet met mijn idee over goede liefde overeenkwamen. Het was echter moeilijk te geloven dat nicht Mary niet van een man, zoals haar echtgenoot zou kunnen houden.

"Jullie beiden zijn zo veel gelukkiger dan ik," zei ik tijdens het eten, misschien niet met absolute ernst." Jullie hebben elkaar, terwijl ik een eenzame wandelaar ben."

"Dat zul je niet altijd blijven, hoop ik, neef Oswald," antwoordde de vrouw van Paul met vaardige sympathie. Zij scheen haar eigen, twijfelachtig geval op zij te schuiven en alleen aan mij te denken.

Zonder twijfel is het voor het ogenblik goed," zei ik gelaten. Als ik in jullie plaats was zou ik té veel met mijn tegenwoordig geluk bezig zijn, om al te veel aan de toekomst te denken."

"En waarom zou je zo veel aan je toekomst denken?" voeg Paul luchtig.

"Omdat de tegenwoordige dingen noch relatie, noch van korter duur en van relatief waardelozer zijn dan in de wereld. We zijn alleen maar voorbijgangers, die zich door belevenissen voorbereiden, of voor de Hemel of voor de hel, zoals het geval zal zijn.

"Ja, dat is ongelukkig genoeg ons deel," zei mijn neef met een veranderde stem.

"Hoe ongelukkig?"

"Ik bedoel, dat ik graag hier wil blijven. Dit is voor mij goed genoeg.

Een vogel in de hand, weet je?"

"Wat een vreemde manier om zo te voelen!" zei ik." Het is alsof een jongen van dertien jaar zijn wens te kennen geeft, om zijn gehele leven een kind te willen blijven. Wat mij betreft ga ik verlangend verder naar een vollere, rijpere staat, die ons wacht in de Hemel, waar we naar ik hoop allen met elkaar verbonden zullen worden."

"Ik hoop het, werkelijk," zei neef Paul, Zijn vrouw gaf echter geen antwoord en keek op haar bord gelijk iemand, die niet weet wat zij moet zeggen en daarom niets zegt.

"En ofschoon wij in die richting gaan," ging ik voort," wij hebben allemaal kwaad dat we in ieder geval moeten overwinnen. Het zal onze zorg moeten zijn, ons daaraan te onderwerpen. Dat is wat ik zo-even met het denken over de toekomst bedoelde."

Ik hoorde heel wat van dat soort gepraat toen ik voor het eerst in deze stad kwam," zei mijn neef, ingenomen met zichzelf. Ik vraag excuus Oswald, maar ik vond het niet de moeite waard, om erover na te denken. Natuurlijk is het goed genoeg, indien we eervol handelen, maar alles goed en wel, onze werkelijke zorg is, of we geloven of niet.,Nu, sindsdien was ik bekeerd en was overtuigd dat ik geloof had. Daarom zag ik nooit in, waarom ik me zorgen zou maken zolang ik geen wetsovertreder was."

Ik had mijn neef op deze manier horen spreken met deze verdraaiing van feiten, toen we nog in de wereld waren. In die tijd was ik nog zó onwetend en gedachteloos, zodat het weinig indruk op me maakte. Nu echter scheen het mij een gruwelijke theorie. Daarom sprak ik vurig tegen. Gedurende het diner bleven we disputeren. Neef Paul zij idee scheen te zijn, dat introductie voor de Hemel alleen maar gerechtvaardigd werd door pure genade, alleen de opening van de poort op een zeker nummer, waarop geloofsartikelen de toegangsbewijzen vormden. Ware wedergeboorte had daarmee waarlijk niets te maken. De meest verachtelijke mens zou de Hemel binnen komen en een engel des lichts worden, indien hij op zijn sterfbed alleen maar zeggen zou, "ik geloof"..Met alle kracht, die ik op kon brengen redeneerde ik tegen deze verderfelijke valsheid. Ik streefde ernaar, om mijn neef duidelijk te laten zien, welk helder inzicht ik door onderwijzing had gekregen, en dat het voor een mens onmogelijk was om de Hemel binnen te gaan, zonder eerst gezuiverd te zijn van de boze dingen, waarmee hij geboren was, een inzicht dat hij verworven had. Het zou zijn als bij een vis, die buiten het water moest leven, zonder eerst, zoals andere dieren, met longen voorzien te zijn, net als andere dieren die lucht inademen.

Alleen diegenen, die door lange inspanning de hemel in zichzelf hebben opgebouwd, of hun eigen ziel in overeenstemming hebben gebracht met de wetten des Hemels, kunnen zien, binnengaan en het leven des Hemels verdragen.

Mijn neef bleef halsstarrig bij zijn absurde theorie. Hij weigerde het gemakkelijke stelsel van zaligmaking over te geven, dat hijzelf gekozen had voor zijn geloof. Zijn geestelijke staat vervulde me met grote droefheid. Gedurende ons dispuut, dat tenslotte onderbroken werd door de komst van de gasten van die avond, merkte ik dat nicht Mary ingespannen luisterde en dat zij mijn tegenwerpingen meer deelde dan die van mijn tegenstander, welke dienden om me in mijn geloof te bevestigen, dat zij niet van haar echtgenoot hield.

De gasten, die kwamen om de avond door te brengen waren ongeveer vijftien in getal. De meesten van hen deden en keken, zoals de gemiddelde personen zich in gezelschap gedroegen. Zij spraken hoofdzakelijk over gewone dingen, bijvoorbeeld wat er pas nog was gebeurd in maatschappelijk opzicht, en wat er spoedig zou gebeuren. Zij toonden ook op een andere wijze dat hun geest helemaal in beslag werd genomen door de onbelangrijke dingen van het moment. Behalve in een geval, was er geen aanwijzing, dat een van hen niet bekend was met het feit, dat de tegenwoordige situatie behoorlijk beschreven kon worden als de scheiding bij het beschouwen van een groot caleidoscoop, waar de zich scheidende delen zouden worden ontbonden en worden vastgelegd in een onveranderlijke hemel of hel.

Alleen twee van de bezoekers behoeven hier een aparte vermelding. Een van hen was Miss Isabella Grubb, een niet meer zo jonge dame, die altijd een toegewijde vriendin van mijn neef was geweest en die twee of drie maanden voor hem was overleden. De ander was Edward Ray, die jonge man, die door mijn nicht Mary was afgewezen, en die,zoals ik nu leerde, kort na mij in de geestelijke wereld was gekomen.

Conversatie was in het begin wat moeilijk, door een zekere reserve, sinds de jeugdige twist, die onze omgang had verbroken. Maar daar het hoofdzakelijk mijn schuld was, had ik er allang berouw van. Ik was nu meer dan ooit in de stemming om het goed te maken. Alle belemmeringen waren tussen ons opgehelderd, want Ray was een alleszins goede kerel, zoals op meer manieren duidelijk werd. Zijn houding betreffende de vrouw van mijn neef dwong bewondering af. Niemand zou hebben verwacht, dat hij een vroegere liefhebber was. Hij was noch afstandelijk in zijn manieren tegen haar, noch toonde hij een overdreven respect. Maar hij was gelijkmatig, eenvoudig, openhartig, en een heer. In de loop van ons gesprek was ik blij dat hij een redelijke voorstelling had van de positie van een nieuwe geest en dat hij betrokken was bij veel, dat buiten de gebeurtenissen van deze avond lag.

In de wereld kende ik Miss Grubb niet zo goed, maar van mijn vrienden had ik reeds veel over haar gehoord. Zij zag er fraai goed uit en had een beminnelijk, beschaafd voorkomen. Als zij tien jaar jonger was geweest en de bezitster van een fortuin, was mijn neef Paul volgens enige kletsende dames, nooit met Miss Gordon getrouwd. Mijn zuster had een uitgesproken hekel aan haar en vertelde me dat, wanneer Miss Grubb niet zo buitengewoon schrander was, zij al lang de reputatie had genoten, een slechte babbelaarster te zijn. Ervaring leerde me, dat de beste vrouw de neiging bezat, om bij gelegenheid vernietigender over haar seksegenoten te praten, dan de omstandigheden rechtvaardigen. Daarom luisterde ik, zonder conclusies te trekken, dat Miss Grubb het tegendeel van en beschaafde vrouw moest zijn. Toen ik haar in het huis van mijn neef ontmoette, waren mijn gedachten open en onbevooroordeeld.

Vijftien minuten conversatie waren echter genoeg om mij geen goede mening over haar te vormen. Zij begon mij met een bloemrijke stem te feliciteren met de overgang naar een "Hoger" leven, de geestelijke wereld. Zelfs in de verte verwees zij later ooit naar een leven met plichten.

Hij dwaalde onmiddellijk af naar personen en gaf mij enige kijkjes in de geschiedenis van bijna iedereen in de kamer. Dit geschiedde, ondanks ontmoedigingen van mijn kant, waarlijk, met het oog op een pogen, haar te bewegen om over andere dingen te praten. Zij bestede veel tijd met over Ray te praten, die, zijn goede manieren ten spijt, een doortrapt huichelaar zou zijn, die Pauls vrouw beminde en een overwegende intrigant was. Deze informatie werd meer met een vrijpostige bewering bevestigd dan door insinuaties en bedekte toespelingen, begeleid door een suggestief schouderophalen en bepaalde blikken. In het begin gaf zij ernstig te kennen, dat zij gedreven werd om met mij vrijer te spreken dan met wie dan ook, om mijn sterke vriendschap met Paul. Ik wist dat zij daarna haar batterij over nicht Mary, toen, zeer tot mijn bevrijding, het gesprek onderbroken werd.

Later, toen er in gezelschap van een andere gast even een stilte viel, hoorde ik tussenbeide Miss Grubb mijn naam noemen tot Ray, die zij nu had uitgekozen voor een conversatie. Duidelijk hoorde ik die woorden, welke met een lage bedekte stem werden geuit:"De verwaande kwast had altijd een oog op de vrouw van zijn neef - en nu is hij gekomen - wie weet ?"

Wat was de bedoeling van deze vrouw? - Willens en wetens twee mannen tegen elkaar opstoken, alleen voor eigen genoegen ? Toen zij in het begin kwade motieven aan Ray ten laste legde, voelde ik mij een beetje onbehagelijk; maar niet nu. Niets van wat deze vrouw zei was een serieuze gedachte waard.

Nicht Mary ging nu naar de piano en zong voor het gezelschap. Zij had altijd een mooie stem. Deze leek nu rijker en zuiverder dan ooit, en streelde je oor.

"Het is prachtig, zoals je stem zich ontwikkeld heeft," zei ik na het eerste lied.

"Ik dacht," zei Ray, "de conversatie was nu algemeen dat ons gehoor hier scherper is dan in de wereld.

"Ongetwijfeld, daarom ook is het plezier dat we ondervinden door mooie geluiden intenser," zei ik.

"Wanneer we dit hier al constateren, stel je dan eens voor, hoe groot ons genoegen voor muziek dan in de Hemel moet zijn; het zou onze zielen tot ontroering brengen."

"Soms was ik benieuwd of ik hier wel een piano zou hebben," peinsde nicht Mary na een pauze, terwijl zij een paar akkoorden aansloeg.

"Je zult iets veel beters dan een piano hebben," zei Ray met een glimlach en een glans in het oog.

"Bedoel je een viool of een harp?" vroeg een der gasten ernstig.

"Oh nee, iets dat de ziel doet trillen, een hemels instrument, dat wij niet kennen."

Hier werd het gesprek onderbroken door Paul, die wenste dat zijn vrouw een compositie zou spelen waar hij veel van hield. Miss Grubb viel hem ijverig bij, ogenschijnlijk verlangend naar het einde van deze algemene conversatie, om haar téte à tète met Ray te herhalen.

Toen de vrouw van mijn neef tenslotte de piano had verlaten kreeg ik de gelegenheid om te zeggen:"Wat denk je van Miss Isabella Grubb?"

"Wat denk je van haar?" antwoordde zij, ontwijkend met knipperoogjes.

"Om het bot te zeggen," zei ik, "ik denk dat zij een slechte lasteraarster is en een leugenaarster."

De vrouw van mijn neef keek een moment diep in mijn ogen eer zij antwoordde: "Ik ben blij. Ik wist dat je haar karakter zou doorgronden."

Dan, na een ogenblik: "Oh, wat heb ik niet uit moeten staan door die vrouw! Ik benijd haar niet als zij in haar innerlijke staat komt en niet langer een masker dragen kan," zei ik.

"Ik ken iemand wiens lot nog zieliger zou zijn als het masker afgerukt is," zei mijn gezellin, met een koude weloverwogen blik van afkeer in haar ogen; "Ik weet iemand die, indien mogelijk, een nog groter hypocriet en een leugenaar is!"

Onderzoekend keek ik een moment in haar ogen. Ik riep zacht, "Oh, nicht Mary!"

 

Hoofdstuk 12 - De bevrijding

 

Ze zei niets meer, en ik vroeg haar niets; maar ik wist zeer goed dat mijn nicht Mary op haar echtgenoot doelde. Ik was als door de bliksem getroffen. Wat zou zij bedoelen? Ik twijfelde niet aan haar oprechtheid. Zij was een goede vrouw en zou niet liegen. Maar wat kon haar hevige gevoelens tegen een man zonder blaam, als haar echtgenoot, die zo gelijkmatig leek, verklaren. Ik begreep heel snel dat die onheilbrengende Miss Grubb hiervoor verantwoordelijk was, en dan, na enig nadenken, besloot ik in het geheel geen oordeel te vellen en de ontwikkelingen af te wachten.

Gedurende de dagen deed ik bijna niets dan dit huis te bezoeken en deze betreurenswaardige toestand te overdenken. Al mijn interesses voor eigen zaken losten zich enige tijd op in de genegenheid en het welzijn van Paul. Ik vergat dat zij in de handen van de Goddelijke Voorzienigheid waren en dat het boven mijzelf lag om in dit delicate geval om de breuk tussen man en vrouw te helen. Ik begreep dat het eerste om te doen was, de waarschijnlijke oorzaak van dit onheil bloot te leggen en daarvoor moesten al de gangen van Miss Isabella Grubb tot het meest nauwkeurig onderzoek behoren. Het volgen van die vrouw werd een intrigerende studie. In het licht van haar tegenwoordige staat was ik geleidelijk in staat, zowel haar tegenwoordig en haar verleden te lezen. Het werd me duidelijk dat zij zich al vroeg in een patroon ontwikkeld had tot een intrigerend vleier. Alleen op de wereld, een buitenstaander, had zij zichzelf geoorloofd haar afgunst voeding te geven. Zij had besloten om zich ergens op de gemakkelijkste manier een warm nest te bezorgen. Zonder invloed een eigen positie moest ze uitvinden hoe zij zich het beste kon koesteren in de zonneschijn, die uitstraalde van de invloed en de positie van anderen. Hypocrisie was haar gemakkelijkste middel. Moge zij innerlijk volhard zijn, aan de buitenkant lief, ofschoon haar hart heet van woede moge zijn, maakte zij toch haar zoete praatjes en glimlachte zij haar zoete glimlach. Het pluimstrijken van Griekenland of Rome is nog niet gedoofd. Dit soort zetelt nog in een ontzaglijke kring rond al wat rijk en machtig is. "Maar lach tegen ons," schijnt hun houding te zeggen, "en wij zullen voor alle mensen wier rook voor u branden." Bedwelmt door de wierook sluit de Heer zijn binnenste en lacht hen toe, die het reuk wat zwaait en noemt hen vriend.

Miss Grubb had lang wierook voor mijn neef gebrand en deed dit nog steeds. Zo had zij zich door gekruip in zijn genegenheid gewurmd, terwijl zij van haar kant van hem scheen te houden en hem vereerde boven alle mannen op een zogenaamde gepaste meisjesmanier. Maar of zij een werkelijke genegenheid voor hem voelde, was niet zeker, want het was in het algemeen onmogelijk om te oordelen over de motieven van haar handelingen. Laat zijn wat wil, ik bleef bij het idee dat zij verantwoordelijk was voor de moeilijkheden tussen de echtgenoot en zijn vrouw. Als ik haar maar kon ontmaskeren, zou voor hen beiden de breuk geheeld kunnen worden. Ik wist niet dat de breuk een kloof was, een grote onoverbrugbare afgrond. Had ik het geweten, dan zou ik niet zo verrast geweest zijn. Op het laatst was de zaak mij uit mijn zwakke handen gelicht. En op een manier geregeld, die ik niet had voorzien.

In de vroege middag stopte ik op een keer bij het huis van mijn neef. Toen de bediende zei dat zijn meester niet thuis was en dat zijn meesteres lag te rusten, gaf ik order om de laatste niet te storen. Ik zei dat ik zou wachten. Aan het ene eind van de salon was een smal alkoof of erker, gedeeltelijk verborgen door zware gordijnen. Rustende op een lage, zachte bank, viel ik in slaap. Enige tijd later werd ik wakker door opgewonden boze stemmen in de kamer.

"Ik hield nooit van je," zei mijn neef Paul bitter;"ik trouwde je om je geld."

"Ik weet het, - wist het allang," was het antwoord. Het was de stem van zijn vrouw.

Ik stond lawaaierig op, om hun met mijn aanwezigheid bekend te maken; maar zij waren zo in beslag genomen en hoorden geen geluid, hoewel dat van enige betekenis was. Tussen de gordijnen door zag ik dat zij tegenover elkaar stonden, middenin de kamer - de echtgenoot razend, met een gezichtsuitdrukking van diepe haat, de vrouw in de verdediging, een beeld van verontwaardiging, maar kalm.

"Ik weet het," herhaalde ze op lage bedaarde toon. "Ik keek sinds lang door je masker heen."

"En ik keek door dat van jou. Je deed voor de wereld alsof je van me hield, maar je trouwde me alleen uit wrok. Je werd overtuigd dat je beminnelijke, smachtende Ray je geld begeerde en niet jou: dat was het enige."

"Dat is niet waar."

"Waarom ben je dan met me getrouwd?"

"Dat zal ik je vertellen," antwoordde zij met haar flitsende ogen op hem gericht. "Nadat je listig en succesvol de man lasterde, die ik liefhad. Je dwong je tegen mijn wil in te geloven en je te bewijzen van zijn trouweloosheid. Ik was nog blind genoeg om je als man van fatsoen en eerlijkheid te beschouwen. In mijn grote eenzaamheid en ellende begon ik me in te beelden dat ik van je hield. Wil je dit ontkennen?"

Mijn neef leunde plotseling voorover, met opgeheven hand en, eer ik kon bewegen hoorde ik het geluid van een klap en wist ik dat hij zijn vrouw geslagen had. Met een harde schreeuw van afgrijzen, meer dan van pijn, zonk zij neer in een stoel en bleef bewegingloos zitten. Op dat moment hoorde ik de wrede lach van een vrouw. Ik deed een paar passen voorwaarts en zag Miss Grubb een paar stappen verwijderd kalm op een bank zitten.

Mijn eerste opwelling was, om in de kamer te springen en mijn neef neer te slaan. Zou hij het gewaagd hebben om nog eens te slaan, dan had het er slecht voor hem uit gezien. Hij deed geen poging. Nauwelijks had hij zijn opgeheven hand laten zakken, toen er een luid klinkende klap op de huisdeur werd gehoord. Na een ogenblik, komma een paar seconden, kwam de onverwachte bezoeker binnen in de salon, een grote, goed gebouwde man met een goed uiterlijk, gekleed in een lichtblauw uniform. Ik herkende hem direct als een stadbewaker, want ik had dergelijken vaker gezien. Van Alaric hoorde ik, dat niemand wist waar deze bewakers hun hoofdkwartieren hadden en dat niemand in staat was hun komen en gaan te berekenen. Zij stonden niet in de straten op wacht, maar hielden zich buiten zicht en verschenen alleen als er ongeregeldheden waren. Wat toch heel vreemd was, dat zij, zover iemand wist kwamen, zonder te zijn geroepen, zoals het geval was geweest toen de drie in het wit geklede mannen de onrust in de kerk hadden bedwongen. Deze laatsten bleken echter tot een aparte orde te behoren, waarvan de vertegenwoordigers nog minder vaak werden gezien. "Wat wenst u?" vroeg mijn neef op een toon van grote verbazing en ergernis, wezenloos starend naar de nieuwkomer.

"Ik kom informeren naar aanleiding van deze ongeregeldheid," was het prompte antwoord, toen de wachter een paar passen de kamer binnentrad.

"Welke ongeregeldheden?" vroeg Paul boos."Wie heeft u verteld dat er ongeregeldheden waren?"

"Ik kom in opdracht van de bestuurder van de stad," antwoordde de wachter kalm.

"Gaat de gouverneur van de stad in mijn huis een spion houden, teneinde informaties te verstrekken, als ik met mijn kok verschil van mening heb?" was het onbeschaamde antwoord.

"Onze gouverneur behoeft geen spionnen te houden," antwoordde de wachter met dezelfde kalmte en waardigheid. "Hij wordt op een betere manier geïnformeerd. Hij handelt op bevel van de Hemel." Dan keerde hij zich tot nicht Mary, wier ogen met koortsachtige verwachting op hem schenen te rusten en hij vervolgde:"de schreeuw van deze vrouw, eens uw echtgenote, werd gehoord en er werd bevolen dat zij nu bevrijdt word, indien zij dit wil. De tijd van scheiding is rijp. Zeg me, vrouw, houdt u van de banden die u met deze man binden? Spreek zonder vrees de waarheid."

De vrouw van mijn neef stond langzaam op, de ogen nog intenser gericht op het gezicht van de wachter. Zij aarzelde als om haar woorden goed te wegen.

"Ik heb een afkeer van hem," zei ze tenslotte met een lage, heldere stem.

"Dan zijn ze van deze dag af verbroken. Vanaf deze dag bent u vrij."

"Bevrijd!" scheen de glans in haar ogen juichend te zeggen, toch droeg nicht Mary`s gezicht een ongelovige uitdrukking, gelijk aan iemand, die niet in staat is om aan een onverwacht groot, goed geluk te geloven. Haar ogen keken bezorgd van de een naar de ander in het vertrek.

En, mag - mag ik dit huis verlaten?" vroeg zij tenslotte.

"Meteen, als u dit wilt. Het is zo geregeld en u hoeft geen vrees te hebben," was het antwoord. "Is er een of andere vriend, die u om bescherming zou willen vragen, of wilt u met mij naar het paleis van de gouverneur gaan en daar wachten, totdat er een passend huis aangewezen wordt?"

"Ik zou graag" - zij trilde en aarzelde. - "Ik zou graag naar het huis van mijn oom gaan, naar mijn oom Arthur."

Alleen haar oom Arthur! Deze stralende ogen, deze trillende oogleden, deze stamelende woorden - niets betrof de gedachte aan Edward Ray, zoals ik maar al te bereid geconcludeerd had. Dit was goed. Deze oom was haar dierbaar, zoals ik allang wist, lang voordat een van ons de natuurlijke wereld had verlaten. Hij was een oprecht mens en zijn huis was voor haar de goede plaats.

"U mag hem nu roepen," had de wachter gezegd.

"Hoe, hem roepen?" stamelde nicht Mary, "hij woont hier niet in de buurt."

"Denk sterk aan hem en verlang heel ernstig naar zijn tegenwoordigheid. Ik beloof u dat hij zal komen," was het besliste antwoord.

Toen was er een afwachtende stilte. Zij gehoorzaamden rustig. Intussen gingen mijn ogen van de een naar de ander in deze kamer. De wachter had het kalme, vertrouwenwekkende uiterlijk van een ambtenaar, die weet dat, moge komen wat wil, een autoriteit achter hem staat. Behorende tot die vriendelijke uitdrukking van een man die zich verheugd in het geluk van anderen. Mijn nicht Mary zag blozend van opwinding. En ik zag een licht trillen van handen en lippen. Maar door de uitdrukking van haar lieve ogen was het duidelijk, dat zij innerlijk buitengewoon kalm was. Wat deerde alles nu - nu dat zij vrij was? Minder gelukkig, op haar manier misschien, was Miss Grubb. Met moeite bleef zij zitten. Zij was nauwelijks in staat een hevig vertoon van gejuich te onderdrukken. Op een gegeven moment trok een listige, zelfgenoegzame glimlach over haar gezicht. Op een ander moment weerspiegelde zich hoon, boosaardigheid in haar ogen, als zij naar nicht Mary keek. Paul bleek eveneens blij te zijn; maar zijn vreugde werd getemperd door boosheid. Hij stond nog en keek dreigend naar de wachter. Amper had ik dit gadegeslagen, toen er een klop op de buitendeur werd gehoord. Even later werd een stem gehoord in de hal met een diepe, blijde roep rende mijn nicht Mary de kamer uit en trof daar buiten haar oom.

"Ik wandelde op straat," hoorde ik hem zeggen, "en voelde opeens dat je me nodig had."

"Ik ga met u naar huis," zei ze, en in de stilte hoorde ik dat ze hem een kus gaf.

Zij keerde niet terug in de salon. De wachter voegde zich bij hen in de hal. Tezamen verlieten zij het huis. Een dag of twee later zag ik mijn nicht Mary in het huis van haar oom. Haar metgezel was niet haar oom maar het wordt Ray. En zij waren tussen de goeden.

"Ik dank u!" schreeuwde Paul, eer de wachter gegaan was. "Ik sta in uw schuld" - met een spottende houding van dankbaarheid. "U heeft me verlost van een last en me bevrijd." Hij legde zijn arm om Miss Grubb, die met een rood gezicht opgestaan was. "Zij zou nu mijn vrouw zijn" - innig naar haar kijkend. "Zij zou nu in mijn huis heersen, zoals zij altijd geheerst heeft in mijn hart."

"Je bent vrij om haar te nemen, als zij wil," was het weerwoord van de wachter. "Maar u kunt hier niet met haar blijven. U bent nu beiden in een nieuwe staat gekomen, en u moet verder gaan in de richting van uw uiteindelijk tehuis."

Hij draaide zich om en verliet met een hoffelijke groet de kamer. Ik was door verbazing zo onder de indruk en betrokkenheid, dat ik daar bewegingloos stond, hoewel ik in een opwelling naast mijn neef had willen staan en om uitleg vragen over al die vreemde dingen die ik gehoord en gezien had. Terwijl ik aarzelde, verliet hij in gezelschap van de vrouw de kamer. Hij was zich niet van mijn aanwezigheid bewust. Zij hadden de laatste woorden van de wachter blijkbaar niet opgemerkt. Ze waren nu geheel opgegaan in de gedachten van hun onbeteugelde aandoeningen. Als in een droom liep ik de kamer door en sloop stilletjes het huis uit. In een staat van grote, mentale verbijstering wandelde ik door de straten. Ik voelde een ondraaglijke pijn aan mijn hart toen ik de handeling van mijn neef overzag. Paul, mijn geliefde neef, had niet alleen oneerbaar, maar ook brutaal gehandeld. Wat een verandering! - Hoe anders was hij dan vroeger. Kon het zijn dat ik tot nu toe alleen maar de buitenkant zag, alleen maar het fraaie masker van een innerlijk slecht hart? Oh, nee, nee!

Dat kon niet waar zijn. Zijn hartstochten waren ontbrandt, beïnvloedt door een slechte vrouw, maar hij was beslist innerlijk niet slecht.

Tenslotte keerde ik op mijn schreden terug en ging het huis weer binnen. De bediende liet me in de salon. Na een paar minuten verscheen mijn neef. Toen hij me de hand gaf en het oude, vertrouwde lachje over zijn gezicht speelde, voelde ik, dat ik hoop mocht koesteren. Maar zijn eerste woorden brachten de pijn terug in mijn hart en wierpen me in de put.

"Wat denk jij?" begon hij. "Mijn vrouw is weggelopen met die schurk Ray. Zij wendde voor om naar haar oom toe te gaan, maar ik begrijp alles. Heb geen medelijden met me," voegde hij er snel aan toe. "Ik wil graag van haar afkomen. Ik kan een andere vrouw vinden, zoals je zult zien, die veel meer bij me past."

"Wat heb ik je gezegd?" vroeg Miss Grubb triomfantelijk, want zij was eveneens binnen gekomen.

Ik wendde snel mijn blik van haar gezicht af en richtte me tot Paul gedurende het volgende half uur. Ik poogde de conversatie in ernstige banen te leiden. Ik sprak over eer, waarheid, rechtvaardigheid en Hemel. Maar hij was niet geïnteresseerd. Hij liet openlijk zien, dat hij zich verveelde en geeuwde in mijn gezicht. Zo stond ik op het laatst op en vertrok.

Het was klaar dat mijn neef veranderd was. - Hij was alles bij elkaar anders dan ik van hem dacht. Zijn vrouw, die eens zijn echtgenote was had de waarheid gesproken. Moest ik dan mijn genegenheid voor hem onderdrukken en niet meer naar hem toegaan? Had ik die ongelukkige Alaric niet deze raad gegeven? In het begin was deze gedachte onduldbaar. Nee, nog niet! Ik kon hem nu niet in de steek laten. Het zou kunnen zijn, dat alles welbeschouwd, hij niet innerlijk slecht was. Wie zou dat kunnen zeggen? Hij zou alleen maar door die slechte vrouw, die nu bij hem was in het boze geleid kunnen zijn. Ik zou daarom nog eens naar hem toegaan en hem tot rede brengen. Tenslotte zou ik de bemiddeling kunnen zijn voor zijn redding uit zó een ongelukkige verwikkeling.

Maar toen ik hem de volgende dag bij hem thuis opzocht, vond ik alle deuren en vensters gesloten. Er kwam geen antwoord op mijn kloppen. Het gehele huis scheen verandert. Naderhand, toen ik er over nadacht, wist ik niet absoluut zeker of het wel dezelfde plaats was. Toen ik verdrietig wegging, herhaalden zich in mij de laatste woorden, die de wachter had gesproken:

"U bent vrij om haar te nemen, indien zij dit wil, maar u kunt hier niet met haar blijven. U bent beiden nu in een nieuwe staat gekomen, en u moet nu verder gaan in de richting van uw uiteindelijk tehuis."

 

Hoofdstuk 13 - Het volgen van de neerwaartse stroom

 

Mijn neef was dus weggezonden, daar het huis niet meer met zijn staat overeenstemde. Ah, het was echt waar - Het moest wel waar zijn. Hij was nu in de staat van zijn innerlijk gekomen en de werkelijke mens was erkend. Was hij nog steeds bij de Nieuwkomers, of was hij verder gegaan naar een ander gezelschap? Gedurende verschillende dagen zocht ik naar een antwoord op deze vraag. Ik wandelde door de stad in de hoop dat hij daar in een ander huis was gaan wonen. Het was allemaal tevergeefs.

Indien ik hem uit mijn geest had gebannen en mijn eigen zaken nagegaan was, zou ik mezelf misschien veel leed hebben bespaard, bovendien ook droefheid en schaamte. Ik had echter nog steeds de dwaze gedachte dat ik hem nog zou kunnen redden en verlangde ernaar, hem weer te zien. Aan mijn wens werd voldaan Toen ik tien dagen later uit wandelen ging, terwijl ik sterk aan mijn neef dacht, voerde me een sterke aantrekkingskracht buiten de stad, langs een helling naar beneden in het dal. Hier, in een buitengewoon onvruchtbare streek, temidden tussen een kale, zanderige bodem en lagere gedeeltes vol moerassen en stilstaande plassen, ontdekte ik loodsen en hutten, gebouwd van stokken en leem. Zij lagen in onregelmatige rijen in kronkelige straten ertussen.

Waarom werd ik naar deze plaats gedreven, - die erger was dan een woestijn? Kon mijn neef hier zijn nieuwe tehuis hebben gevonden. Op het laatst bleef ik staan bij een der grotere huizen. Boven de ingang was een inscriptie, n.l. “Zondag School”. Mijn neef had zich altijd aan de “Zondag School” gewijd. Daarom zou dit wel eens de plaats kunnen zijn, waar men hem moest zoeken. Toen ik dit huis binnen trad ontdekte ik hem meteen, want hij sprak op het spreekgestoelte, juist zoals ik hem vaak had zien doen in onze natuurlijke levens. Maar de manier en het onderwerp was zeer verschillend. Op een bank, aan zijn rechter hand zat Miss Grubb en voor hem ongeveer dertig á veertig mensen, die bijna het gehele smalle, lelijke binnenste vulden. Op de punten van mijn tenen ging ik naar binnen en ging stilletjes naast de deur zitten.

“In de meeste zondagscholen of kerken,” zei mijn neef, “wordt voornamelijk beweerd, dat Christus uit de dood is verrezen. Maar buiten een paar eenvoudige en fantasierijke personen gelooft niemand er echt in. Het is vooral de mode om deze mystieke, oude legende te gebruiken, omdat onze voorouders er in geloofden. Er wordt verondersteld dat het als een dwingende kracht zal werken voor het gewone volk. Heden ten dage, wanneer we zeggen, dat Christus uit de dood is opgestaan, bedoelen we niets anders dan te zeggen, dat Pallas Athene als een volgroeide godin voortkwam uit het hoofd van Zeus, die tegelijkertijd haar vader en moeder was.

“Maar in deze kleine kring zijn we meer of minder van één mening en we zeggen niet wat we niet menen. Het is een feit dat Christus niet uit de dood verrees. Zulk een gebeuren spreekt tegen elke menselijke ervaring en moet ondersteund worden door een geduchte hoeveelheid bewijs, of het kan niet worden geloofd. Het bewijs moet nog worden aangetoond. Dit feit kunnen we beter onder ogen zien. Het is volkomen veilig, om te zeggen dat er geen toekomstig leven kan zijn.

Is er een reden om te zeggen, dat een mens zonder hersens niet denken kan? Wel, een dood persoon heeft geen hersens, want zijn gehele lichaam is tot stof vergaan. Kunnen we begrijpen dat een levende persoon de functies in het leven kan vervullen zonder ogen, neus, mond, oren en andere zintuigen? Wel, een dood persoon heeft geen zintuigen. Hoe kan er denken en leven zijn als de hersenen en het lichaam vernietigd zijn? Het is uiterst onmogelijk. Welk belang heeft het of Christus wél uit de dood is opgestaan of niet? Het is evenzo moeilijk, om iemand tot leven te brengen als het gemakkelijk is gelukkig te zijn, of Christus wel of niet is opgestaan.

Alles gaat gewoon zijn gang. Mensen werken, vrouwen wenen en kinderen sterven. Overal worden de mooiste bloemen geplukt tijdens hun eerste bloei. De meedogenloze en onverklaarbare besluiten van het noodlot gaan meedogenloos voort en vervullen ons met verdriet en woede. Het kwade en onbarmhartige monster, de dood, blijft overal doorgaan, zwerft rond en veranderd dagelijks vrolijkheid in wanhoop. Zonder waarschuwing worden we gearresteerd, gevangen genomen en in een nameloze duisternis onder de graftombe geworpen, binnen het ogenblik van een paar uur. Een God, die niets kan doen, kan doodgewoon niet bestaan.

In dezelfde geest was er nog veel meer, eer de spreker ging zitten. Toen hij klaar was, stonden de luisteraars op en liepen met mij achter elkaar het huis uit. Ik hield niet van hun gezichten en trilde als ik naar hen keek. Zij waren allen slecht - slecht.

“Wat een prachtig adres!” hoorde ik sommigen van hen zeggen.

“Vreselijk, verschrikkelijk,” mompelde ik toen ik naar mijn neef keek, die nu met die vrouw op de preekstoel stond.

Helaas! Welk nut zouden mijn woorden hebben indien ik nu tot hen zou spreken. Alle overredingen was hij gepasseerd. “Laat ik me dan niet tevergeefs overgeven aan een dwaze hoop,” dacht ik. “Laat ik me geen moment meer met deze duivelse invloeden van dit gezelschap bemoeien.” Ik was van plan om op te staan en dit huis stilletjes te verlaten, om hard weg te rennen, toen mijn neef me zag, me herkende en tegen me glimlachte. Dit kon ik niet weerstaan. Ik werd door oude betovering gegrepen en ging naar voren om hem te ontmoeten. Ofschoon ik ongelukkig was, en nadat hij me de hand geschud had, kon ik mezelf alleen maar afzijdig houden van die vrouw en alleen met mijn hoofd te knikken.

“Wat doe je in dit vreselijk oord, Paul?” vroeg ik droevig. “Wie had kunnen geloven dat je daar zou staan en zulke afgrijselijke gevoelens uit zou spreken!”

In mijn stem en mijn manier van doen lag een verdriet, dat hem nerveus maakte en dat hem heel even in zijn vroegere staat terug scheen te brengen. Hij keek verschrikt, net als iemand die bij een schandelijke handeling wordt betrapt.

“Wel, je ziet,” stotterde hij, “zij willen het liever op de oude, orthodoxe manier houden. Ik moet trachten ze te interesseren. Dit is de enige manier om invloed op hen te krijgen.”

“Slechter en slechter,” gromde ik.

Dan veranderde hij zijn houding. “Alles welbeschouwd,” zei hij met overtuiging, “sprak ik alleen maar de waarheid.” Dit waren altijd al mijn innerlijke gedachten.”

“O Paul, Paul,” viel ik in, met angst en pijn. “Ben je vergeten, dat we in de geestelijke wereld zijn en dat je op de rand van de hel staat?”

Hij lachte luid en zei luchthartig: “Je bent beledigend, mijn beste neef. Ik denk, dat ik je spoedig zal bekeren van zulke dwaasheden.”

Het was nutteloos en ik zei niets meer. Zie lieten me uit en langs de armzalige straat namen ze me mee naar hun huis - een miserabele keet van twee schaars gemeubileerde kamers. “Om te bedenken, dat je deze plaats hebt gekozen!” riep ik uit en keek om me heen. “Het is verschrikkelijk.”

“Wel, het zou beter kunnen zijn,” zei Paul met een zorgeloos ophalen van zijn schouder. “Maar echt, het is niet zo slecht. Je verbaast me.”

Klaarblijkelijk zag mijn arme, verloren Paul uiterlijke voorwerpen niet, zoals ik die zag. Zijn vrouw riep hem naar die andere kamer. Daar hoorde ik haar op een bittere toon praten. Ik kon geen woord verstaan, maar ik voelde dat zij kwaad over me sprak. Ik voelde, dat ik buiten beter zou kunnen ademen en verliet daarom dit huis. Toen ik een paar stappen weg slenterde, hoorde ik Paul zijn stem en zag ik hem in de deuropening staan.

“Dat is goed,” riep hij. “Maak een wandeling naar het meer. Ik zal je vergezellen.”

Het meer! Die stinkende moeras en stilstaand water een meer. Helaas, hij was krankzinnig - met die ongeneeslijke gekheid, die uit het kwaad wordt geboren. Die woorden van de engel Ariël kwamen bij me op - woorden die hoofdzakelijk door diegenen worden gebruikt, dat alleen zij, die naar beneden naar de hel gaan, krankzinnig zijn en alleen de goeden werkelijk recht bij zinnen zijn. Ik richtte mijn schreden niet naar het “meer”, maar wandelde langzaam naar de buitenwijken van de stad. Daarbij keek ik nieuwsgierig naar de gewoon weerzinwekkende mensen, die hun huizen in en uit liepen. Ontegenzeggelijk bleek dit de plaats aan de grens van de hel te zijn. Hoe zouden deze mensen een nog slechtere uitdrukking kunnen ontwikkelen, dan zij reeds hadden? Het gezicht van mijn neef was in mijn ogen nog iets aangenamer dan die ik gezien had. Maar zelfs het zijne droeg een harde trek dat me aan een misdadiger deed denken, terwijl het voorkomen van zijn vrouw in ieder opzicht stuitend was. Aan de rand van het dorp zette ik me op een vermolmde houtstronk, onzeker wat ik zou gaan doen. Het was al laat. Toen ik opstond en terug ging, begon het donker te worden. Ik keek in de richting van de stinkende moerassen. Daar zag ik boven deze eerst een, dan een ander en tenslotte een dozijn of meer flakkerende, fosforescerende lichtjes. Zij brandden niet gestadig, maar kwamen en gingen bij vlagen. Hoe goed corresponderen deze verraderlijke sterren met de valse geloven, de onzinnige verbeeldingen van dit miserabele volk van deze streek, dacht ik, me naar het dorp wendend. Diepe duisternis was op aarde gevallen. Zonder het zwakke licht, dat door de spleten van muren van de keten scheen, zouden de contouren nauwelijks te zien zijn in het duister.

Toen ik naar ik dacht in de hoofdstraat kwam, doemde de donkere figuur van een man voor me op.

“Wie bent u?” vroeg hij ruw.

“Wie bent u?” antwoordde ik mild.

“Ik ben een koning” was het antwoord.

“Goeden avond, majesteit,” zei ik in het voorbijgaan.

“Stop een minuut,” schreeuwde hij, mij volgend. “Welke ideeën heeft u betreffende de regering? Welk soort regering heeft uw voorkeur?”

“In de natuurlijke wereld leefde ik onder een monarchie,” zei ik na een aarzeling. “Die vond ik goed genoeg.”

“Hier hebben we een monarchie. Iets anders dulden we niet,” antwoordde hij met een bepaald strijdlustig enthousiasme.

“Maar ik dacht dat u een koning was.”

“Dat ben ik. We zijn allemaal koningen hier - allemaal vrije en onafhankelijke heersers.”

:Het komt mij voor alsof dit een goedkoop soort koningschap is.”

“Maar u ziet” legde hij driftig uit, “terwijl we allen koningen zijn, is een van hen koning der koningen. Zelf ben ik een keizer.”

Ah, dat zie ik, maar wat wordt er van uw glorieuze democratie?” Bij dit vloog hij in een onbeschrijfelijke drift en begon me uit te schelden. Daarom keerde ik om en liep snel weg. Een eindje verder dook een ander donker figuur op en vroeg wie ik was.

“Ik ben gewoon een mens,” zei ik. “Ik vermoed dat u een koning bent.”

“In zeker opzicht, ja” was het antwoord.

“Er schijnen hier veel koningen te zijn,” merkte ik oneerbiedig op. “Wat een prettige democratie is dit.”

“Maar zij zijn alleen maar gewone koningen,” was het minachtende antwoord. “Ik ben een geestelijke koning. Ik ben de Paus.”

Met een groet ten afscheid ging ik verder, maar deze Paus rende achter me aan met minder waardigheid dan haast.

“Stop even. Ik zal u een geheim vertellen,” fluisterde hij geheimzinnig. Ik ben meer dan een gewone Paus, ik ben de Paus der Pausen, die ooit hebben geleefd, nadat St. Pieter eerst de sleutel heeft gegeven.”

“Goeden avond, machtige hoogheid,” zei ik en sloop weg.

Enige minuten later realiseerde ik me dat ik verlost was. Ik kon niet zeggen waar nu het huis van mijn neef was. Toen ik stil stond en van de ene kant naar de andere keek, naderde een derde donkere figuur. Dit keer was het een vrouw. Zodra zij begon te praten herkende ik Mevrouw Grubb. Zonder te wachten en zonder mijn naam of naar mijn dwalen te vragen, barstte zij uit in een tirade over mijn neef. Zij zei dat hij haar zonder oorzaak had geslagen. Mevrouw Grubb beledigde hem op de meest grove manier. Het scheen haar niets uit te maken tegen wie zij zich zo liet gaan, als zij maar haar boosheid kon ventileren. Ik zei niets terug, draaide me na een ogenblik om en liep weg. Toen ik bemerkte dat zij mij bleef volgen, rende ik weg, en ontsnapte aan haar.

Ik naderde nu een huis om informatie te vragen, maar het geluid van een ruzie en vechten binnenshuis liet me stoppen en ging ik naar een ander toe. Hier, zowel als daar was geen antwoord op mijn kloppen. Daar er op zij van de hut licht scheen door een kier, voelde ik me gerechtigd om in een van die huizen naar binnen te kijken. Al wat ik kon zien was een man, oud en grijs, die op een bank zat.

Zijn ellebogen rustten op een kale tafel voor hem, waarop een kaars stond.

In het zwakke licht kon ik zien dat op zijn gezicht een sluwe, verwarde uitdrukking lag. Zijn starre, glazige ogen rustten in extase boven een voorwerp, dat tussen hem en de kaars lag. Wat dit voorwerp was, kon ik niet goed zien, omdat de man het zorgvuldig met zijn handen omvatte, waarbij ik de klank van zilver of goud hoorde. Dan werd het me duidelijk, dat dit voorwerp een stapel geld was, of wat er voor door moest gaan. Degene, die er zo liefdevol naar keek, was de geest van een aardse gierigaard. Ik klopte luid op de deur en riep hem tegelijkertijd naar buiten. Maar in zijn krankzinnige extase scheen de man doof voor alles.

“Hier is nog een voorbeeld,” reageerde ik en draaide me om, “hoe de heersende liefde ieder schepsel volgt in zijn eeuwige leven.”

Later naderde ik en klopte aan bij het huis ernaast. Direct daarop werd de deur gedeeltelijk geopend en kwamen de hoofden van twee mannen en een vrouw te voorschijn. Hun gezichten, die ik in het schemerige licht daar binnen kon zien, waren zó slecht en boosaardig, zodat ik zonder te spreken weg was gegaan, als ze me niet gezien hadden. Nu kon ik niets anders doen, dan de weg naar het huis van mijn neef te vragen.

“Wat zegt u?” vroeg een van hen, sullig. Hij had niet de manier van een doof iemand en ik wist dat hij me zeer goed had verstaan.

“Hij is een vreemde,” zei de vrouw met een sluwe glimlach.

“Laten we hem neerslaan en hem beroven,” fluisterde de andere man.

Ik draaide me vlug om en ging er vlug vandoor, terwijl ik voorzichtig over mijn schouder keek. Toen ik ze achter me aan zag hollen, begon ik te rennen en ik ontsnapte hen. Ik liep hard, totdat ik voor de deur van de Zondag School stond, die ik met een soort van opluchting herkende. Nu zou het niet moeilijk zijn om het huis van mijn neef te vinden. Ik vond de deur open. Ik keek naar binnen en was verbaasd, dat ik in plaats van een spreker, een mengelmoes van stemmen hoorde. Gedurende een minuut stond ik daar te staren en liep dan van schrik weg. Het is niet goed om buiten de uiterste grens te gaan. Hetgeen ik daar in deze nacht in die “Zondag School” zag, zal ik hier liever niet vermelden.

Kort daarna arriveerde ik bij wat men noemt, het huis van mijn neef. Ik was net van plan om te kloppen, toen een plotseling gevoel van voorzichtigheid mijn hand tegen hield. Stel, dat het niet de goede plaats was? Mijn laatste ervaring had me angstig gemaakt. Na een moment besloot ik om door een spleet te kijken, voordat ik ging aankloppen. Het was goed, dat ik dit deed. Met mijn oog dicht tegen het gat, waar licht doorscheen, zag ik eerst de figuren van een man en een vrouw, die op een bank voor een open vuurplaats zaten, dat schemerig door een paar brandende kolen verlicht werd. Het gezicht van de vrouw was naar me toe gekeerd. Langzamerhand zag ik een paar brutale, schrikachtige ogen, die mij bekend voorkwamen. Een ogenblik later herkende ik de vrouw van mijn neef. Direct daarop kreeg ik in de gaten, dat zij en die man dicht naast elkaar zaten en elkaar aan het liefkozen waren. Hij was niet mijn neef.

Vol afschuw keerde ik me om en had nauwelijks tien stappen gedaan, toen ik onverwacht tegen een man opbotste.

De schok van die botsing was voor hem even onplezierig als voor mij, te oordelen naar die luide vloek, die hij uitte. Onmiddellijk herkende ik Paul.

“Ik vraag excuus.” zei ik mild. “Herken je me niet?”

“O, ben jij het,” antwoordde hij, met moeite zijn kwaadheid in toom houdend. “Waar ben je geweest? Ik kon je niet vinden toen ik vertrok.”

Ik vertelde hem dat ik de weg kwijt was en zelfs nu niet zeker wist waar ik zijn huis kon vinden. Ik begon toen smekend tegen hem te praten.

“Paul, mijn beste neef, kom met me mee, weg van deze vreselijke plaats. Ik kan niet geloven, dat je werkelijk bent wat je schijnt te zijn. Je bent het slachtoffer van een slechte invloed - je bent naar beneden gehaald door die slechte vrouw, maar er is misschien nog tijd. Waarom zou je blijven? Die vrouw waarop je verzot bent - zij is ontrouw. Luister naar me, zij is niet eerlijk tegen je.”

Hij vroeg me om meer te horen en ik vertelde hem wat ik had gezien in het huis hiernaast. Vreselijk vloekende draaide hij zich om en rende naar die plaats. In plaats van hem te volgen, verwijderde ik me en stond even stil, toen het geluid van een ingeslagen deur hoorbaar werd. Dit geluid werd gevolgd door een lawaaierig en vertwijfeld gevecht, nu de val van een omvergeworpen tafel, dan weer een toornige vloek van een man, dan weer het angstaanjagend gegil van een vrouw. Hoe lang dit duurde weet ik niet. Ziek van schrik stond ik stil, totdat de ellendige vrouw wenend en grommend langs me heen hinkte. Terwijl ik de boze stem van Paul een paar passen achter me hoorde en bang was, om hem juist nu te ontmoeten, liep ik achterwaarts uit het zicht en kon hem zo ontlopen.

Een korte tijd nadien, toen ik in dezelfde buurt stond, twijfelend, wat ik zou doen, snelden twee donkere figuren voorbij en hoorde ik hen een derde aanspreken. “Waar is die man, die het waagde onze vorm van regeren te bekritiseren?” riepen ze kwaad. Ik herkende de twee stemmen van die twee “koningen”, of wel de “keizer” en de “heer der Pausen”. Verre van hun instructies te verschaffen, stapte ik vlug bij hen vandaan en ging weg uit die buurt. De nacht was vol gevaar. Zelfs in het huis van mijn neef vertrouwde ik mezelf niet. Daarom besloot ik om buiten te blijven, omgeven door de mantel der duisternis met de mogelijkheid om mijn positie naar wens te veranderen.

Ah, die nacht der verschrikkingen! van voortdurend alarm! Ineens zag ik een open deur en herkende ik in het schemerlicht een gezicht, dat mijn hart stil deed staan. Het gezicht van Downing, die boze geest, die me enkele weken geleden in het pseudo-paradijs had gelokt. Hij was hier. Was dit zijn kampeerterrein en was ik dan in de hel? Gedurende een uur liep ik rusteloos rond en bad om bevrijding uit mijn positie. Maar er kwam geen verandering. Alleen iets, de nacht en het duister werden dieper. De straten waren nog bevolkt door ongeziene gevaren - een vloek hier, een klap daar, benadrukt door een kreet van pijn was schel te horen overeenstemmend, al naar het geslacht van het slachtoffer. Zo nu en dan trilde een hut door de kracht van een hevige strijd daarbinnen. Was dit een diepe, zwarte verzoeking, die voorbij ging, of was ik verloren? O Hemel, was ik verloren?

Zelfs bij het stellen van deze vraag waren half geziene figuren om me heen. Met gebogen hoofd schenen zij te luisteren naar elke gedachte, die ronddoolde in mijn hersens. Soms omsingelden zij me, alsof ze mijn ontsnapping wilden verhinderen. Dan weer groepeerden zij zich weer om me heen, wezen naar me en lachten spottend. Worstelend, bad ik, totdat ik niet meer kon bidden om bevrijding van deze duivelse menigte, die me bedreigde. Maar ik werd niet bevrijd en dacht dat ik zou sterven - mijn onsterfelijke ziel kon zó niet voortleven met deze zielsbevriezende angsten.

“We kennen je,” schenen deze schaduwgroepen vrolijk te zeggen. We hebben gehoord, dat je jezelf wijs maakt dat je goed bent en we hebben gelachen. Je teert op de herinnering van de goede daden die je hebt gedaan, maar die goede daden berusten, net als die van ons op eigenliefde. We kunnen je vertellen, dat het tevergeefs is, jezelf te misleiden, want diep in je hart zien we de vorm van een gespleten hoef. We herkennen je als een van ons. Je kunt vechten, je kunt je dwingen, maar het is te laat. Dis is de hel, en je kunt niet ontsnappen.”

Ik sloot mijn oren met mijn handen, boog mezelf tot de grond en streed om mijn gedachten tot de Hemel te richten. Ik kon niet bidden. Een koude, resolute, onbarmhartige hand scheen mijn hersenen te grijpen. De schaduw van een helse nacht rustte op me. Het dichte, stollende duister was een monster met duizend slangachtige armen, die me neerduwden. Te laat - te laat, alles was voorbij.

“O, laat me niet opgeven!” rees tenslotte een zwakke kreet in me op. Mijn hart is dood, bidden helpt niet, maar laat me mijn ziel een weinig opheffen, door de duisternis heen. Laat me in deze beproeving mijn gedachten op de Zon des Hemels richten, want ik weet dat zij voortdurend schijnt boven de wolken. Mogen lage geesten komen uit de diepten der hel met vergiftigende woorden, moge de aarde verdrinken in dodelijk duister, mogen al deze dingen mijn ziel overschaduwen, maar moge misschien een straal van die stralende zon op mij doorfilteren … Opgeven? Eens en vooral, nee! De troep duivels mogen hun schaduwen opstapelen tot de Hemel, maar kunnen me niet afsluiten van die enige straal!’

Ik merkte dat de morgen aanbrak, dat de duisternis zich terug trok. De voorwerpen in de buurt waren zwak te zien en mijn ogen zagen niet meer hetgeen me kwelde. De zwarte huivering was uit mijn ziel verdwenen.

 

Hoofdstuk 14 - De Gedaanteverwisseling

 

Maar, alles welbeschouwd brak de dag niet echt aan. In plaats van diepe duisternis was er alleen maar grijs schemerlicht, dat lijkt op de schaduw, die over de aarde trekt, wanneer de zon verduisterd. Het was echter een welkome verlichting. Toen ik me hoopvoller voelde, begreep ik dat ik niet zo moe was als ik geloofde. De lichamelijke ellende was hoofdzakelijk het resultaat van een mentale kwelling. Na enig nadenken keerde ik terug naar het huis van mijn neef, vast besloten om nog een keer met hem te redeneren en hem dan te verlaten. Ik vond hem, zittende in de deuropening bij het roken van een pijp, terwijl hij zat te kijken naar de smerige poelen en moerassen. Daar zijn trekken nu meer en meer naar voren kwamen was het onmogelijk, om op zijn gezicht met die nare blik in zijn ogen, niet de tegenstelling te zien met de verfijnde en beminnelijke uitdrukking, die hij in de wereld gedragen had.

"Hij is verloren, verloren," zei ik tegen mezelf, toen ik hem naderde en hem gadesloeg. Maar ik wilde hem nog één keer spreken. Wat een sombere morgen!" zei ik tegen hem.

Hij keek afwezig uit de hoeken van zijn ogen - zo ongeveer alsof hij mij niet kende. "Ik zag nog nooit een fijnere morgen," antwoordde hij na een moment.

"Hoe gaat het met - ik kon mezelf er niet toe brengen om je "vrouw" te zeggen. "Hoe is - zij - deze morgen" vroeg ik, benieuwd of zij toegankelijk was en haar handelingen besefte. Ik vreesde dat enige zinspeling hem boos zou maken.

"Zij is binnen," zei hij, zonder zichtbare aarzeling.

Een ogenblik later zag ik haar. Zij scheen niet beschadigd te zijn door dat pak slaag, dat zij had ontvangen. Zij liep naar de deur, stak haar hoofd naar buiten en keek naar weerszijden. Mij een kwaadwillige blik toewerpend, verdween zij.

Ik richtte me nu tot Paul, toen ik me bewust werd van een menselijke verschijning achter me - een tegenwoordigheid, die mij direct teisterde met een dodelijke, smorende pijn. Met een snelle blik over mijn schouder zag ik dat er een man heel dicht bij me, was stil blijven staan. Hij stond daar zwijgend en raakte bijna mijn kleren aan. Terwijl ik me met een uitroep van pijn en angst omdraaide, zag ik hem. Tot mijn schrik zag ik dan dat het Downing was, met een minachtende glimlach op zijn gezicht. Hij bleek zich te vermeien over mijn foltering. Met een gemene lach, die ik me herinnerde, liep hij door en verdween door de deur van het huis van mijn neef.

"Paul ! - Paul ! ken je die man?" riep ik zeer opgewonden en nu bevrijd van die ondragelijke pijn.

"Natuurlijk doe ik dat," was zijn antwoord. Hij is een erg goede vriend van me!" zei hij.

"Hij is een kwade geest - een duivel," riep ik.

Mijn neef lachte luid. "Je amuseert me !" zei hij.

Het zou verstandig geweest zijn, als ik onmiddellijk omgekeerd was en mijn veiligheid had gezocht. In plaats daarvan wachtte ik nogmaals om Paul te smeken zichzelf te redden en om zich terug te trekken van dit slechte gezelschap aan de grens van de hel.

"Het wordt tijd dat je met die onzin stopt, riep de man en sprong plotseling op. "Je bent onverbeterlijk, je bent krankzinnig. In jouw ogen is alles verdraaid - je spreekt als een nar.

"O Paul, Paul !" riep ik wanhopig.

"Die naam ken ik niet riep hij met grote toorn en wilde ogen terug. "Ik ken deze naam niet. Ik ben onnoembaar. Weet je waarom?"

"Dat weet ik zeker niet."

"Dat zal ik je vertellen. Ik ben een God."

Met een uitroep van schrik trad ik terug.

"Ja, ik ben een God en je weet het. Val op je knieën en bid me aan, jij miserabele ellendeling !"

Grote huivering maakte me kalm. "Een God, waarachtig !" zei ik verachtelijk. "Jij een God !"

"Wat !" vroeg hij razend van krankzinnigheid. "Zie je niet mijn kroon van vuur? Zie je niet de lichtende vlam in mijn hand ?"

"Ik zie een theatrale krankzinnige," zei ik.

"Ik zal je wat laten zien !" schreeuwde hij.

Hij liep naar de deur van de hut en riep luid, "kom naar buiten, kom buiten !" Toen Downing en die vrouw verschenen riep hij, "grijpen jullie hem ! Hij zegt dat ik geen God ben, hij durft te zeggen dat ik geen God ben ! "Spaar hem niet."

Ik draaide me om en wilde gaan, maar zij waren me té vlug af. Mijn neef en zijn vrouw gingen voor me staan. Downing kwam van achteren. Wat de laatste deed kon ik niet zeggen, maar mijn neef en zijn vrouw schenen alleen hun ogen op me te vestigen en hun gedachten op me te concentreren. Onmiddellijk werd ik innerlijk onbeschrijfelijk gekweld. Vastberaden vocht ik hier tegen, maar mijn strijd maakte mijn angst nog groter. Ik dacht dat ik zou stikken, dat ik dood zou gaan. Dan zag ik ineens, wat mijn neef me wenste te zien - een kroon van vuur op zijn hoofd en een vlammend licht in zijn hand. Beneden hem, in het laagland, waar zich de stinkende moerassen en de poelen bevonden zag ik blijkbaar net als hij een meer met helder water.

"Aha! Nu zie je het," hoorde ik hem juichend roepen.

"Ja ik zie het. Maar het is alleen maar leugenachtige fantasie,"antwoordde ik, want ik bleef volhouden. "Het is niets anders dan duivelse magie."

Al strijdende wierp ik me op de grond en bad luid, om uit deze helse slavernij bevrijd te mogen worden. Dan dansten zij letterlijk om me heen, om mij met intense krachten door hun magische kunst te binden. Maar ik werd verlost en in staat om na een moment met mijn eigen ogen te zien.

"Hoor hem bidden!" schreeuwden zij spottend. Toen ik ging staan realiseerden zij zich dat een sterkere kracht mij bevrijd had. Hun woede was vreselijk. Met luide, gekke vloeken verdubbelden zij hun pogingen. Zij liepen om me heen en onderzochten al mijn ledematen en mijn gelaatstrekken, alsof zij een zwakke plek zochten, waar zij me konden raken. De innerlijke kwelling, die tijdens het bidden verminderde, was heviger dan ooit.

"Dood de heilige," schreeuwde Paul, met wild gelach.

"Folter hem eerst !" riep Downing schor.

Dan, als door magie, waren die drie voorzien van dolken en bedreigden me.

Vol angst brak ik door hen heen en rende - rende blindelings, totdat ik voor de oevers van de moerassen en de stinkende poelen stond. Zij waren dicht achter me en schreeuwden als demonen. Ik keek naar rechts en naar links. Er was geen ontsnapping mogelijk. Ik keek achter me naar mijn vervolgers en stortte me dan in het moeras. Daar zonk ik tot aan mijn knieën - tot mijn lest, maar vocht nog met mijn laatste kracht der wanhoop. Nu sprong ik opwaarts en voorwaarts en probeerde vaart te maken. Maar ik kwam niet vooruit. Zij sprongen achter me in de modder en haalden me in. Het leek alsof zij zich in de modder lagen te wentelen en als vissen te zwemmen, als slangen over het oppervlak te glijden. Verbeeldden zij zich soms dat zij in het meer gingen zwemmen? Hoe ik ook worstelde, ik kon ze niet achter me laten. Zij waren er altijd : rechts, links, achter en voor, mij met hun dolken bedreigend. Was dit werkelijkheid of een verwrongen droom? Ik mocht me draaien of keren, met welke snelheid ook, een van hen was steeds voor me en gleed gelijk een slang voor me over de weg en uitte een spottend geschreeuw.

Waarom gaf ik niet op? Het was nutteloos om deze martelende worsteling voort te zetten. Tenslotte was ik uit het moeras en werkte me door de modder van een ondiepe, stilstaande poel. Daarna kwam er een ander moeras en een andere modderige poel .....Waarom niet zinken en sterven in het slik. Om te leven was een ondragelijke kwelling.

Met mijn laatste kracht worstelde ik een zanderige helling op en vluchtte over een kale vlakte, die verschroeid werd door een brandende maar onzichtbare zon en bezaaid was met gruwelijke stenen en doornstruiken. Hoe ik ook vluchtte en een weg koos, het baatte me niet. Vanachter een doornbos of steen langs het pad zou een figuur tevoorschijn komen - de figuur van een donker, hels ding dat me bespotte in mijn angst. Zo zou ik van mijn weg worden afgeleid.

Alle hoop op redding was verdwenen en ik zei tegen mezelf dat ik regelrecht naar de hel werd gedreven. Stil ging ik verder, totdat de hemel zwart en de grond voor mijn ogen rood werd - totdat de lucht heet leek en geladen met vergif - totdat mijn longen het begaven en ik niet meer kon ademen. Zo liep ik blindelings toe op een rechte rotswand, die mijn terugweg versperde. Achter me hoorde ik het schreeuwen van mijn achtervolgers en wist dat het einde was gekomen. Terwijl ik me ter aarde wierp, stootte ik mijn tanden aan een steen. Laat ze komen, laat ze komen!

Zo kwamen zij. Met spottend gegil en zwaaiende dolken ijlden ze op me toe. Ik sloot mijn ogen. Dan - op hetzelfde ogenblik voelde ik me safe. Ik wist dat ik door de hand van een hemelse vertegenwoordiging gered was. Toen ik mijn ogen opende zag ik dat er een engel achter me stond. Want van hem straalde een zacht, intens licht uit, dat me overstroomde tegen mijn vijanden. Daardoor weken zij met angst en haat terug. Vast omklemde ik de voeten van de engel en voelde me als iemand, die aan een zware storm ontrukt was - gelijk iemand die gered was uit de klauwen des doods, die in een ondoordringbare stenen vesting werd getrokken. Met mijn onwrikbare kracht keek ik uit op mijn vreselijke vijanden, met het gevoel dat zij machteloos waren, om me geen letsel te bezorgen. Een vreesachtige verandering was over hen gekomen. Terwijl ik naar de door licht omgeven engelbewaarder keek, waren zij gelijk onmenselijke dingen met gekloven voeten en klauwen van beesten. Het gezicht van mijn neef was donker, wanstaltig en harig. Dat gezicht van de vrouw was afzichtelijk, met wratten en zweren. Het gezicht van Downing was lijkkleurig en lijkachtig. Zijn ogen waren stompzinnig en rood, net als klodders bloed. Hun lichamen waren allemaal monsterachtig.

Terwijl ik keek en deze vreselijke dingen zag, werd de steile rots als door een aardbeving gescheurd, die een zwarte, roetachtige spelonk ontsloot, welke klaarblijkelijk leidde naar onbekende diepten, waaruit dichte rook kwam als van een onderaards vuur. Er was een hete, lawaaierige stroom lucht, die me met walging vervulde. Maar toen zij de bozen bereikte, schenen zij verrukt te zijn. Met veel vreugde liepen zij voorwaarts, waarbij ze me geheel vergaten. Met harde, onaardse kreten, maar met kennelijke blijdschap renden zij achter elkaar door de opening van de spelonk en sprongen met het hoofd vooruit naar beneden, waar zij uit het gezicht verdwenen.

Dan sloot ik mijn ogen, zodat ik niets meer zou zien. Een dikke duisternis scheen mij in te sluiten en mijn gedachten uit te wissen, totdat de laatste vonk van bewustzijn uitgeblust was.

 

Hoofdstuk 15 - Aan de voeten van Ariel

 

Toen ik weer tot mijn positieven kwam en mijn ogen opende, zag ik het eerst van alles het kalme gelaat van Ariël. Ik werd me bewust dat ik op een andere plaats was en in een huis op een bank lag. Mijn kleren vertoonden niet meer de resten van modder en slijk van de moerassen. Het moge vreemd klinken, maar ik voelde me prettig naar lichaam en geest en zat rechtop. Met mijn ogen vast op de engel gericht vergat ik hem te groeten.

"Was het allemaal een droom ?" vroeg ik.

"Nee, het was geen droom, ofschoon je onlangs lag te slapen," was het kalme antwoord.

"Dan renden zij echt in die verschrikkelijke diepte en werden zij gedood?"

"In het geheel niet. Zij kwamen er zelfs uit zonder een schok en liepen uit eigen vrije wil door een van de poorten van de hel."

"Maar de rook - het vuur?"

"Er was geen echt vuur. Vanuit de verte schijnen de hellen een vuur te zijn. Het lijkt alleen maar zo door overeenstemming. Wat men hels vuur noemt is alleen maar het vuur van zelfliefde, lusten of haat. De liefde om kwaad te doen is een vuur dat nooit dooft en is zogenaamd de voeding voor de bozen.."

Ik hing aan zijn lippen. Zijn gelaat, zijn ogen, vooral de woorden uit zijn mond (Die ik zelfs niet volledig kan herhalen) schenen mijn geest te verlichten.

"Wat een vreselijke monsters waren zij!" zei ik nog met enige droefheid.

"Dit zijn zij in het licht des hemels," antwoordde hij," Maar in hun eigen ogen lijken zij anders. Door de barmhartigheid van de Heer zien zij hun eigen mismaaktheid niet. Voor zichzelf en voor anderen zien zij zichzelf als perfecte mensen. De hel is voor hen niet duister en somber, want door hun verdraaide staat is alles wat lelijk is in hun eigen ogen mooi. Dit komt omdat zij boze en niet het goede liefhebben. Zij leven in gezelschappen zoals u ze aan de grens van de hel heeft gezien. Daar zijn zij gelukkiger dan zij ergens anders zouden kunnen zijn, want daar hebben zij de gelegenheid om hun boze lusten tenslotte uit te vieren.

"Maar lijden zij daar geen kwellingen ?"

"bittere folteringen - hetgeen het gezelschap in de hel onvermijdelijk met zich meebrengt. Ware dit niet zo, dan zouden de bozen niet aan banden worden gehouden. Het is door de barmhartigheid van de Heer, dat zelfs in de hel een zekere orde heerst. Daarom zijn de slechten gedwongen tot werken voor hun dagelijks brood en wordt het hun niet toegestaan om al die boze dingen te doen, die zij graag willen. Vandaar dat zij gekweld worden. Maar omdat onze liefden de levensliefden zijn wordt een beperkte toegevendheid toegestaan in hun helse lusten. Anders zouden zij van hun eigen bestaan beroofd worden."

"Arme Paul, arme verloren Paul," peinsde ik later, met tranen in mijn ogen.

"Wees om hem niet bedroefd," zei de engel. Hij is daar heen gegaan waar hij meer genot in zijn leven kan vinden dan ergens anders."

"Het is zo moeilijk om aan hem te denken - daar beneden," hield ik vol, huiverend. "Hij was altijd zo vriendelijk, zo goed.

"en toch waren al zijn handelingen, in later jaren, ingegeven door egoïstische motieven. Hij was alleen maar vriendelijk om invloed te krijgen en hij wilde anderen overheersen voor eigen doeleinden., Een goede daad, gedaan voor zichzelf, zonder hoop op beloning, was in zijn geest volkomen dwaasheid. Zulk een mens houdt noch van zijn Kerk, zijn land, het publieke welzijn, noch van iets anders, behalve van zichzelf. Daarom wordt hij geen engel, maar een duivel."

"Hij leek me steeds zo eerlijk," voegde ik er vasthouden aan toe.

"Ik herinner me, wanneer hij een publieke functie bekleedde, benijd omdat hij gunsten kon bewijzen aan vrienden in hogere kringen, hij dan zelfs weigerde de aanspraken te overwegen van diegenen, die aan hem verwant waren, waarvoor hij openlijk werd geprezen."

"Maar dit was geen eerlijkheid," was het overtuigende antwoord. Wij moeten naastenliefde betonen naar het goede dat in hem is. Maar bloedverwanten zijn, niet meer of minder, gelijk aan alle anderen. In dit geval was het een geschiktheid voor de posities. Deze man zag onder zijn relaties sommigen die zeer geschikt waren voor een betreffende functie, alleen maar in die zin om alleen maar eer te behalen. Maar om die eer te behalen was hij tegen ongerecht."

"U spreekt positief "

"Dat doe ik. Ik was tegenwoordig toen hij op zijn inwendige eigenschappen onderzocht werd en ik jen hem," legde de engel uit. "Hij is in de staat van zijn innerlijk gelaten. Daarbij werd hij getest en onderzocht op zijn werkelijke eigenschappen. Zijn boek des levens werd gelezen. Dat wil zeggen, er werd een zekere invloed gegeven, waaronder zijn natuurlijke herinneringen werden geactiveerd. De slechte dingen, die hij in zijn natuurlijk lichaam deed, werden terug gebracht. Hij werd dan veroordeeld, niet voor de slechte dingen in zijn verleden, maar voor de tegenwoordige houding daar tegenover. Degenen, die tijdens het onderzoek reddeloos verloren blijken, tonen hun blijdschap voor hun slechte daden, maar zij die gered kunnen worden laten in nederigheid hun berouw zien. Deze man, met wie je verwant was als bloedverwant, toonde zeer zeker geen wroeging maar een onmiskenbare blijdschap, toen de band van sluwe handigheid, huichelarij en heimelijke goddeloosheid van zijn leven voor hem passeerde.

Ondanks alles wat ik nu had gehoord en al wat ik gezien en wat me geleerd was, stelde ik toch nog een dwaze vraag. Ik vroeg, of de Heer in zijn grenzeloze barmhartigheid een slechte man niet redden kon, ondanks zichzelf.

"De Heer verbreekt niet de eeuwige wetten der orde en verandert niet een havik in een duif, of een wolf in een lam, " was het snelle antwoord. "Het is Zijn wil en barmhartigheid dat de mens in de natuurlijke wereld werd geplaatst in evenwicht tussen goed en kwaad, vrij in zijn keuze om te kiezen tussen het een of het ander. Zou de mens gedwongen worden om het goede te kiezen, dan zou de goddelijke gift van vrijheid van hem afgenomen worden en hij zou niet langer een mens zijn, maar een robot. De gehele bedoeling van de schepping, dat de hemel voor het menselijk ras is, zou mislukken. Het is beter dat een aantal duivels worden, dan dat zij een levenloze automaat zouden worden. Het is inderdaad beter dat iemand een duivel wordt dan in het geheel niet te leven. Zelfs de duivels, gekweld als zij worden, vinden vreugde in hun bestaan en hebben hun eigen boze genoegens en genot.

"Om te begrijpen hoe moeilijk het is voor een mens om alleen maar uit barmhartigheid de Hemel binnen te gaan, moet u weten dat het houden en het doen van kwaad de substantie en de structuur van onze ziel bepaald. Dit komt omdat het innerlijke kwaad vreugdevol wordt aangewakkerd, wanneer zij de onaangename uitwasemingen gewaar worden en zichzelf neerbuigen door de voor hen openstaande mogelijkheden. Indien deze man, waarvan we spraken, opgeheven werd naar de Hemel, zou hij niet tot ademhalen in staat zijn, net als een vis, die buiten het water komt. Hij zou niet in staat zijn de atmosfeer te verdragen, waarin de engelen leven en hij zou onduldbare kwellingen moeten lijden. Ik zag sommigen, die dachten, dat zij goed genoeg waren om naar de Hemel te gaan. Het werd hun gegeven om zich naar een hemels gezelschap te begeven. Zij werden door verschrikkelijke pijnen gegrepen en vielen als dood neer. Zodra de hemelse atmosfeer van hen werd afgenomen en zij herleefden, renden zij gillend van schrik weg en gingen naar beneden op hun eigen plaats.

Voordat de engel mij verliet, stelde ik een vraag betreffende de Heer. "Leeft de Heer God van Hemel en aarde als een koning tussen de engelen, of is hij nog in een plaats of een plan boven hen?" was een vraag die vaak bij me op was gekomen. Nu zocht ik een antwoord.

"De hoogste engelen zijn oneindig ver onder de Heer," zei Ariël. Hij woont oneindig ver boven hen en wordt door de hoogste engelen als een stralende zon waargenomen en bij diegenen die lager zijn als de maan. Zou Hij in al zijn glorie naar beneden komen, om bij hen te wonen, dan zouden zij blind worden, ja, vernietigd. Daarom is de Heer zelfs in de hemelen boven en zij aanbidden Hem niet van aangezicht tot aangezicht, maar in tempels, net als op aarde. Maar soms behaagt het Hem om neer te dalen, gescheiden en omhuld door een sluier en aan de engelen te verschijnen als de glorieuze, Goddelijke Mens. Hij is dan zó aangepast aan hun staten, zodat zij niet verblind of op een andere wijze gekwetst worden. Bij zulke gelegenheden worden alle hemelen van begin tot einde verheerlijkt. Een transcendent licht, wonderbaarlijk mooi met een variatie van kleuren rust dan op alles. De engelen worden dan vervuld van een onbeschrijfelijk geluk."

"En heeft u hem zó gezien, vroeg ik, met ontzag.

"Zo heb ik Hem gezien en mijn gehele hart ging naar Hem uit in liefde en aanbidding. Ik weende tranen van vreugde. Trillend van verrukking, zongen we de zang van dankzegging. Toen Hij nader kwam wierpen we ons met ons gezicht ter aarde. Hij keek naar allen. Hij verwaardigde zich om naar een ieder van ons te kijken, toen Hij ons passeerde, - zelfs naar mij. Terwijl ik, door het mij gegeven vertrouwen Zijn vriendelijke, lieve blik ontmoette, voelde ik dat het licht van Zijn Goddelijke Wijsheid mij doordrong en mijn geest verlichtte. De warmte van Zijn Goddelijke Ziel vloeide in mijn ziel. Ik voelde dat ik voor altijd gezegend was, want ik had in de oorsprong van het leven gekeken en ik wist dat ik nu leefde."

De stem van de engel was diep, zacht, aangenaam en vol van diepe verering.

"Zeg me, hoe Hij er uit zag, O mijn vriend,"fluisterde ik. "Het beeld voor mijn geest is onduidelijk, verward. Beschrijf Hem -vertel me alles wat ik onwaardige mag weten."

"Hij droeg een golven gewaad van keizerlijk purper, dat vlamde met licht als van een vlam. Op Zijn hoofd droeg hij een kroon met, naar het scheen, levende sterren. En Zijn gezicht - hoe kan ik spreken over dat gelaat, gekleed met Goddelijke Majesteit en Glorie ? Ik kon het zien en ook weer niet. Het was alsof al de glorie, het licht en de schoonheid van de universele Hemel op zijn gelaat was geconcentreerd als in een hoofdreservoir. Toch lag er een onbeschrijfelijke zachtheid over alles en niemand was verblind. Zeker, hij was God, maar tegelijk Mens, de grote Schepper in Zijn verheerlijkt Menselijke, of de Heer onze Redder. Ik heb van engelen, die als mens op aarde leefden in die tijd toen zij Hem in menselijke gedaante hadden gezien, Hem als dezelfde herkenden.

Toen ik dit hoorde herinnerde ik me woorden uit de "Heilige Schrift", woorden met betrekking tot de verheerlijking van de Heer op de berg.

"En Zijn hoofd scheen als de Zon en zijn kleed was wit als het licht."

Deze woorden uit de Apocalyps, waar Johannes verteld over de openbaring van de Heer tot hem op het eiland Patmos.

"En ik zag iemand gelijk de Zon of de Maan, gekleed in een wit kleed tot aan Zijn voeten, om Zijn middel gegord met een gouden koord. En Zijn hoofd en haren wit als wol. gelijk sneeuw, - en Zijn ogen gelijk een vlammend vuur. En zijn voeten gelijk fijn koper alsof zij brandden in een oven, en Zijn stem als de stem van vele wateren..... En Zijn gezicht, schijnende als de zon in haar kracht. En toen ik Hem zag viel ik als dood aan zijn voeten en Hij legde Zijn rechter hand op me. "Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste, en Die leeft en werd ter dood gebracht en nu leef in de eeuwen der eeuwen, amen. En ik heb de sleutels van de hel en van de dood.

 

Hoofdstuk 16 - Oostwaarts

 

De engel stond op om aanstonds te vertrekken. Met een warme handdruk keerde hij zich van me af en was in een ogenblik uit het gezicht verdwenen. "O, mocht ik, ook, de prachtige Heer zien, wanneer Hij op een dag afdaalt naar de engelen!" was mijn verrukkelijke gedachte, toen ik daar zo stil zat en wezenloos voor me uit staarde. Ik berispte mezelf voor deze arrogantie, maar die gedachte kwam steeds terug. " O, mochten deze ogen Hem aanschouwen ! Mezelf op die manier berispend en zó denkend, stond ik op en verliet het huis, waarin wij gerust hadden. Ik draaide die plaats mijn rug toe en richtte mijn gezicht naar het oosten.

Lange, lange tijd leefde ik het leven van een wandelaar en begaf me van oord tot oord, van het ene gezelschap naar het andere. Ik zocht naar dingen waar ik naar verlangde en van hield en streed - helaas niet altijd, met het vaste besluit om de boze neigingen uit mijn hart te verdrijven. Gedachtig aan die lessen van welgezinde geesten, dat ik niet ledig zou zijn, zocht ik bezigheid waar ik ook kwam en vond geluk in mijn streven om getrouw mijn plichten te vervullen. Daar ik deze bezigheden als tijdelijk beschouwde, keek ik intussen uit naar een tijd waarin ik in een leven van gelukkig nut zou komen en naar verlangde.

Meestal was mijn staat nu vredig door de wil om in de Goddelijke Voorzienigheid te blijven, waarheen het ook zou mogen leiden. Er waren echter momenten waarin ik aan hevige droefheid ten prooi was. De hoop, dat ik diegenen zou vinden, waar ik bij paste en waarbij ik uiteindelijk zou mogen blijven, maar die ik tot nu toe vergeefs zocht. Ik zocht naar een plaats van instructie, waar het licht der engelen wijsheid de geest zou verlichten van degenen die op zoek waren. Mijn geval was erger dan ik gevreesd had. Misschien was ik niet geschikt om aan de voeten van hemelse onderwijzers te zitten, omdat mijn slechte dingen nog te actief waren. Innerlijk waren zij roetzwart. Alleen komende verzoekingen zouden deze tot rust brengen en schadeloos maken. Hoe lang - hoe lang?

Tenslotte kwam dan de verandering die ik zó lang verwacht had - de overgang van de eerste staat, de uiterlijke, naar de tweede, die van het innerlijke. De verandering was zó gradueel zodat ik het niet tijdig in de gaten had. Nu kan ik terug zien op mijn vorige staat als een man die ontwaakt en terugziet op een droom. In zeker opzicht was het een verschil als van dag en nacht, maar eerder als een bevrijding uit een gevangenschap. Alle dwang was nu verdwenen en er was niet meer de wens, of de macht, om iets te verbergen. De mens - engel of de mens - duivel was bekend. Er was niet langer een gescheiden geest. Ik sprak van nu af vanuit mijn innerlijke, niet vanuit mijn uiterlijke gedachten. Mijn hoedanigheid lag op mijn gezicht te lezen. Al zou ik het willen, ik zou niet kunnen veinzen. Met diegenen om me heen was het eender. Menig boos mens werd ontmaskerd door zijn welgezinde en argeloze metgezellen. De innerlijke verschillen met hen, waarmee ik me na en na vereenzelvigde, stonden daarom snel vast. Het gehele beeld was er een van ontbinding en verandering, want iedereen bewoog zich in die richting van hen waarmee hij in echte vriendschap verbonden kon worden, vrienden met dezelfde gevoelens, smaak, gewoontes, neigingen en liefde.

De geschiedenis van die tijd is vol nuttige herinneringen, maar ik moet verder gaan naar die dingen, welke in dit verband van groter interesse zijn. Op een dag, toen ik het gezelschap verliet, waar ik maar een korte tijd was geweest,ontving ik bericht, dat mijn gehele levensloop veranderde en een einde maakte aan mijn wandelingen.

Ik had de stad ver achter me gelaten en kwam in prachtig, open, glooiend heuvelland met helder stromend water, toen ik ineens opkeek en op de weg voor me een man zag, een man met een stralend gezicht en trouwe ogen, die onmiddellijk mijn vertrouwen won. Met zijn wit blinkend gewaad was hij een boodschapper van boven.

"Het werd opgemerkt," zei hij, nadat hij me hoffelijk gegroet had," dat u een plaats zoekt, waar geesten door instructie voor de Hemel worden opgeleid. Het is nu toegestaan om u te benaderen. Ga verder tussen deze twee heuvels door, naar het noordoosten en u zult vinden wat u zoekt. Ik ben er zeker van dat men u daar zal ontvangen."

"Moge de Hemel de brenger van deze goede boodschap zegenen!" zei ik met vreugde.

De boodschapper glimlachte met beminnelijke vriendelijkheid bij mijn worden, maar verzocht me om het menselijke instrument te vergeten en mijn ziel op te heffen naar de enige Bron van alle zegeningen. Terwijl ik naar de krachtige, mooie expressie van een edel voelend iemand luisterde, wilde ik maar al te graag teruggehouden worden, totdat hij me tot ziens wenste en gegaan was. Dan keerde ik me verlangend om en haastte me voort in de aangegeven richting. De bomen, planten en bloemen werden bewogen door een zachte bries en glinsterden in de zon. Hun lieftalligheid was ongewoon. Het was alsof zij wisten hoe blij ik was en daarom glansden in de zon. Ik keek links en rechts naar het glimlachende landschap en al wandelend glimlachte ik terug. Mijn hart was vol dankbaarheid.

Eindelijk stond ik tussen die twee heuvels en daar zag ik de school. Het was een hoog, breed en imposant gebouw, in hoofdzaak het architectonische type, zoals van de oude Grieken. Het stond op een heuvel, omgeven door groene gazons, tuinen en struiken. Toen ik naderbij kwam zag ik, dat de fundering en het gebouw van ruwe steen waren gemaakt van een eigenaardige kleur. De torens waren eveneens van steen, maar van een mooi blauwwit en doorschijnend. Zij schitterden uit de verte. Het uitzicht toonde de naburige bossen van laurier, dennen, ceders en mirten, met hier en daar een statige palm.

"Het is niet de Hemel zelf, maar, zo God wil, zal het een stap daarheen zijn, was mijn blijde gedachte, toen ik door de brede zuilengang liep en voor de dubbele deuren van een grote hal stond. Aan weerszijden was een adelaar gegrift met uitslaande vlerken.

Een bediende deed open, nadat ik geklopt had. Hij vroeg me hoffelijk om binnen te komen. "Ik ben blij dat u bent gekomen,"zei hij met groot respect en met een beminnelijke, vriendelijke glimlach. "Ik ben altijd blij met iemand die nieuw is."

"Hoe ongemeen," dacht ik. Het is een bediende, die zijn vreugde vindt in dienen." Hij interesseerde me en ik voelde me tot hem aangetrokken. Misschien was hij uit een der lagere klassen van de wereld, maar hij was een bevallige knaap met een goed voorkomen.

"U bent erg goed," gaf ik als antwoord.

"Een van onze jonge mannen verliet ons gisteren," voer hij voort, "en ik was er zeker van, dat vandaag een ander zou komen."

"Verliet u? - waar ging hij heen ?

"Naar de Hemel."

"Hemel, ik had kunnen juichen toen ik mijn gids door de grote hal volgde. Hij bracht me in een ontvangkamer, rechts, en hij trok zich terug met de woorden, ik gauw komst melden aan de hoofdmeester.

Met een vredig en zeker gevoel, zoals ik niet eerder had gekend, zette ik me neer. Dit gevoel verdiepte zich, toen ik aan de muur tegenover de volgende woorden in gouden letters geschreven zag.

"Bedenk, hoe goed en heerlijk het is als broeders gemeenschappelijk samen wonen."

Terwijl ik keek en over dit hemels gevoel nadacht, kwam de hoofdmeester, een lange edele verschijning, gekleed in een onderkleed van fijn, helder linnen. Om zijn middel droeg hij een koord van gevlochten goud.

Zijn bovengewaad glansde heel mooi, als het licht daarop viel. Bij zijn binnen komen stond ik respectvol op en wachtte op zijn begroeting. Hij keek me streng aan, terwijl hij op me toe kwam, maar er was vriendschap in zijn ogen.

"De school heet u welkom, vriend", zei hij, zijn hand uitstekend.

"Ik ben dankbaar voor dit welkom."

Hij nam plaats in een rijk bewerkte stoel van rood hout. Op zijn uitnodiging nam ik eveneens plaats in een kleinere stoel, voor hem. Hij keek me een ogenblik stil aan. Met een onbehagelijk gevoel voelde ik, dat hij tot op de bodem toe, mijn karakter las. Tenslotte sprak hij:

"Ten eerste moet ik u vragen tot wie u bidt."

"Ik aanbid de Heer."

"Wie is de Heer?"

"De God van Hemel en aarde," antwoordde ik verbaasd - de Schepper van alle dingen."

"En wie is Hij, die in de letterlijke zin van de Heilige Schrift Jezus Christus wordt genoemd?"

"Hij is dezelfde."

"En wat wordt bedoeld met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest ?"

"Dat weet ik niet," zei ik met enige aarzeling, maar zonder vrees. Dit gezegde is duister en onduidelijk. Vele dingen in de Heilige Schrift komen me onduidelijk voor. Maar ik weet één ding - de Heer Jezus Christus is de enige, echte God. Dit heb ik altijd beslist geweten. Zei Hij niet zelf,"Ik en de Vader zijn Een? Later leerde ik, dat engelen, die in die tijd van Zijn verblijf op aarde hebben geleefd, Hem herkennen als de enige God des Hemels.

Er viel een ogenblik een intense stilte, voordat de hoofdmeester antwoordde: u heeft goed gesproken. Voordat u antwoord gaf wist ik dat u zo zou spreken, maar het was beter dat u dit zelf ging zeggen. Alleen aanbidders van de Heer Jezus Christus kunnen hier ontvangen worden, want degenen die niet Hem en Hem alleen vereren, kunnen hier ontvangen worden. Degenen, die niet Hem en Hem alleen vereren, denken aan meer dan één God, wat tegenstrijdig is met de atmosfeer van de Hemel en vernietigend voor de hemelse vreugden, die hier de onze zijn. U bent aangenomen," voegde hij er na een kleine pauze aan toe.

"Ik dank de Heer, dat dit zo is," antwoordde ik.

"U heeft gelijk," sprak hij verder, "dat menige dingen in de letterlijke tekst van de Heilige Schrift duister en onduidelijk zijn. De natuurlijke of letterlijke vorm van het Woord, die op aarde bestaat, werd geschreven volgens overeenstemmingen (gelijkenissen) en aangepast aan de staat van de eenvoudige mens. Maar in de letterlijke zin ligt de innerlijke zin van de Heilige Schrift verborgen, die correspondeert door overeenstemmingen, zoals de ziel in het lichaam, waarin niets duister en onduidelijk is. Dit geestelijk Woord, hier en in de Hemelen, leert ons, dat de Heer God afdaalden naar het natuurlijk plan en zich uiterlijk beklede met de uiterlijke substantie van de natuurlijke wereld, ten einde de kwade machten te onderwerpen, die de mens in die staat aanvielen. Zij gaven hem zo de mogelijkheid om wederverwekt en gered te worden. Het leert os dat de Vader het innerlijke of de ziel van de geïncarneerde Heer is, doordat de Zoon het verheerlijkt Menselijke aannam en door de Heilige Geest het heilige voortschrijden in Zijn handelingen mogelijk maakte. Later zult u verder in deze dingen worden onderwezen."

Een groot licht brak plotseling door de belemmerende wolken. Ik zag helder de grote, eeuwige waarheid, die tot nu toe achter een sluier voor me verborgen was. Gedurende een lange tijd zat ik genotvol, door vreugde gebonden en zei geen woord.

"Het geestelijk Woord," ging de hoofdmeester verder, "werd, zoals u misschien vermoed, geschreven in de universele taal der geestelijke wereld, die we nu spreken. Het is het Boek der Boeken. Elke kopie of deel ervan is onderscheiden met een zachte glans, die afstraalt van de open pagina's. U zult zien dat de kopie, die hier voor ons is neergelegd in het koor van onze hal, altijd open ligt voor de eredienst straalt als een grote ster om zó de luister en heerlijkheid van des Heren Goddelijke waarheid die daarin verborgen is, weer te geven."

Wat zou redelijker, geschikter en liefelijker kunnen zijn ? Zo ik had kunnen twijfelen, dan had ik nog kunnen denken dat dit een fantastische droom was, maar het was erg mooi en moest wel waar zijn.

"Deze Heilige Schrift," ging de meester voort na een pauze, "is de gids van onze levens en de bron van engellijke wijsheid. Hier putten we de kennis uit voor de studenten, die onder onze hoede zijn. Van hen zul je voortaan onderricht krijgen. Je zult van hen leren, dat de Heer God afdaalde naar de natuurlijke wereld, om de mens uit de hel te verlossen en hem de verzekering van zijn redding te geven. Dit was alleen maar mogelijk door middel van verzoekingen, die Hem deden lijden tot het meest extreme toe, het kruis waaraan Hij werd genageld. Omdat Hij dit moest verdragen werden de verdoemenissen, die Hemel en aarde bedreigden, voorkomen en uit de wereld verdreven. Na dit Goddelijke werk voltooid te hebben Keerde onze Heer terug in Zijn essentiële Goddelijkheid en in Zijn verheerlijkt Menselijke. De Heer schiep het universum niet uit het niets, maar uit Hemzelf - vanuit Zijn Goddelijke Liefde en Wijsheid - zodat de gelijkenis van de Schepper op alle geschapen dingen werd ingeplant. De mens moet, om met de genade van God verbonden te worden en om het kwaad te verwijderen, zowel het erfboze alsook het verworvene kwaad bedwingen. Hij moet in liefde en barmhartigheid met zijn naaste leven. In de Heilige Schriften van de natuurlijke wereld ligt een ziel of geest verborgen, die één is met de Heilige Schrift in de Hemel. Zó is er verbinding met het Woord tussen Hemel en aarde. Deze algemene waarheden zullen u door het Woord worden geleerd, bovendien myriaden van bijzondere algemene waarheden, die betrekking hebben op alle dingen van het universum en die alle mysteries van aarde en Hemel zullen ontsluiten.

"Ik dank de barmhartige God voor Zijn Goddelijk Woord en voor Zijn goede afgezanten, die mij daarover zullen onderwijzen," zei ik diep bewogen, terwijl ik het heerlijke vooruitzicht overpeinsde.

De hoofdmeester stond nu op en gaf aan dat het interview voorbij was. "Ga met hem mee," zei hij, toen de dienende jonge man in de deuropening verscheen. "Hij zal je nu laten zien wat je moet doen."

De jonge man leidde me naar de grote hal en dan naar een kleinere hal, haaks op de laatste en tenslotte naar een grote, eigen slaapkamer, die smaakvol gemeubileerd was.

"Dit is de plaats om te slapen," zei hij vriendelijk. "Ik hoop dat hij u bevalt."

"Hij bevalt me."

Dan opende hij de kleerkast en liet me verschillende witte gewaden zien van zijde.

"U mag een van deze uitzoeken en aantrekken, na een bad," zei hij. "U zult hier de nodige onderkleren vinden," voegde hij daaraan toe, bukte zich en opende een lade, waaruit hij enkele, allemaal witte artikelen haalde. Terwijl hij hiermee klaar was en ik een van die kleren uitgezocht had, kwam hij naar buiten en sloot de deur. Hij opende een tweede kast en wees me verschillende zijden kleren, maar gedistingeerder, met een mooi gouden koord, die om de leest hoorde.

"Deze zijn voor de gastmalen op feestdagen," zei hij. "U moet weten," voer deze intelligente bediende voort, mij steeds aankijkend, men mij zei dat, ofschoon men mag aantrekken wat men wil, de kleren in alle soorten en kleuren verschijnen en zichzelf veranderen, al naar de staat, waarin de engel zich bevindt. Is dit niet mooi?"

"Mooi, inderdaad."

"Onze studenten werken in de morgen - dat wil zeggen, zij studeren en worden onderwezen," ging de jonge man voort.

"In de middag dineren zij en doen daarna, binnenshuis of buiten, aan recreatie, spelen, wandelen of paardrijden, zoals zij graag willen. Op feestdagen dineren zij met de meesters in de grote eetzaal, gekleed in dit gewaad met de gouden gordel. Het feestmaal dat werd bereid, is uitgebreid en gevarieerd, maar zelfs op dat uur is de voeding secondair aan de voeding voor de ziel. Er is altijd conversatie, geleid door de meesters -soms gericht -en zijn deze vol lering. Vaak brengen mijn plichten me daar, waar ik kan luisteren. Ik ben altijd dankbaar wanneer ik daar veel van kan begrijpen."

Er werd nu een deur geopend en men liet mij mijn bad zien, een klein gemarmerd vertrek, waar men in het midden een bassin met water kon zien. Mijn opwachter liet me peinzen over het gezegende geluk dat me naar deze plaats had gebracht. Hoe vol geluk zou mijn leven hier zijn en hoe weinig had ik het verdiend!

Ik kwam zeer verfrist en versterkt uit het bad. Toen ik mijn nieuwe kleren aantrok, kwam bij mij de gedachte op: zeker, dit bad van zuiver water is typerend voor de zuivering van het kwaad. Met mijn vorige kleren had ik mijn vorige staat achter gelaten en trad nu een nieuwe binnen. "Moge de Heer geven dat, in bepaald opzicht, de onvolkomenheid en het kwaad eveneens achter me worden gelaten."

Toen ik naar mijn slaapkamer terugkeerde werd ik door mijn vriendelijke bediende geholpen. Hij gaf me mijn zijden gewaad, dat, grappig genoeg, alleen maar bestond uit het onderkleed en het bovengewaad er niet bij was.

"Het bovenkleed, zal u later worden gegeven," was het antwoord op mijn vragende blik.

Verbaasd volgde ik de begeleider terug naar de ontvangkamer. Na enige ogenblikken kwam de hoofdmeester naar me toe.

"Kom nu met me mee," zei hij. Toen me bewoog, om te gehoorzamen, hoorde ik de diepe, muzikale tonen van een bel galmen door het hele gebouw.

Ik volgde hem uit de grote hal naar een lange, hoge en mooie kamer, die tegelijk de hal was voor de eredienst, want aan het verste eind, op een podium in het midden van het koor, lag een open boek met glanzend wit licht - alsof er werkelijk een ster uit de Hemel was gevallen en daar bleef liggen. Toen mijn ogen daarop vielen werd ik bewogen door diepe nederigheid en eerbied. Ik voelde dat ik in de tegenwoordigheid van God stond.

Terzelfder tijd bemerkte ik dat elf mannen, wier verschijning op die van de hoofdmeester leek, ons daar voorgegaan en aan weerszijden waren opgesteld, toen ik daar binnen werd geleid. Zodra we gepasseerd waren, knielden allen, met hun gezichten naar het podium, dat in het oosten stond. We herhaalden gemeenschappelijk de volgende woorden. "O, meest verheven Heer, wij bidden dat onze geesten altijd verlicht mogen worden door het licht van uw Goddelijke Waarheid!"

Dan, nadat we opgestaan waren, kwam een van de elf mensen met de toga, die tot mijn kleed behoorde. De hoofdmeester nam het van hem in ontvangst en legde het over me heen, deze woorden herhalend:

"In tegenwoordigheid van de Heer leg ik het kleed, dat passend is bij uw staat en verwelkom ik u in ons midden."

Vol van diep geluk en nog dieper ontzag knielde ik voor hem en luisterde ik met onbeschrijfelijke emoties toen de hoofdmeester de zegen over me uitsprak en bad, dat ik te zijner tijd voorbereid zou zijn voor een leven van gelukkige nutvervulling in des Heren Hemels Koninkrijk.

 

Hoofdstuk 17 - Vriendschap

 

Het gebed was gedaan. De hoofdmeester en de elf verlieten achter elkaar de hal van de eredienst. Als laatste van allen volgde ik. Daarna werd ik in een ander vertrek voorgesteld aan de elf, welke, zoals me nu bleek, tezamen met de hoofdmeester de twaalf leraren van het instituut waren. Allen verwelkomden me met een glimlach en wijze woorden.

"U zult nu bij de studenten geïntroduceerd worden. Nu moet ik u een moment met hen alleen laten," zei de hoofddocent. "Velen van hen zijn op dit ogenblik aan het wandelen of rijden, maar we zullen zonder twijfel enkelen op het zuidelijk terras vinden."

Hij bracht me nu naar buiten door een grote zuilengang, die op het zuiden lag. Daar beneden was een breed terra vanwaar men op een wijd, mooi dal uitkeek. Door deze vallei en langs de heuvel slingerden zich wegen. In de verte zag ik veel jonge mannen te paard. Anderen genoten te voet van de frisse lucht. Weer anderen zaten in tuinstoelen onder de laurier en mirten van de naburige bosjes. Op de geplaveide en met bloemen omzoomde terrassen slenterden ongeveer een dozijn studenten, in dezelfde kleding als ik, in paren of groepen van drie of vier heen en weer en converseerden met elkaar. Zodra zij, die het dichtste erbij waren de directeur zagen, kwamen zij naar hem toe en begroetten hem.

"Ik breng jullie een nieuwe kameraad. Heten jullie hem welkom," zei hij tot hen, kijkend van de een naar de ander met alle blijken van vriendschap.

"U maakt ons blij en we danken u vriendelijke vader," antwoordden de meesten. Allen gaven hun blijken van genegenheid terug.

"Zij zijn blij," dacht ik met verwondering en opgelucht, want ik had ze niet zonder een zekere bange twijfel benaderd."-Zij beschouwen me in ieder geval niet als een mogelijke mededinger, of bezien zij me niet met en koude, onaardige kritiek, de oorzaak van jaloezie, die de gehele wereld vervult."

Zij waren blij. Zij verzamelden zich om me heen. Toen de hoofdmeester ons verliet, groetten zij me met het meest prettige vertoon van "welwillendheid".Zo bewogen was ik door hen, zodat ik daar stond met stamelende tong en opkomende tranen in mijn ogen. "Zij schenen inderdaad evenveel om mijn welzijn te geven dan om dat van henzelf.," dacht ik. "God helpe mij om deze liefde terug te geven."

Niet al hun gezichten kon men knap van uiterlijk noemen, tenminste naar mijn eigen maatstaven, maar er was zeer zeker iets van tederheid en schoonheid in hun voorkomen.

"wij waren zojuist aan het praten over vriendschap," zei een van hen tegen me, nadat allen me warm de hand hadden gedrukt. "We kwamen allen overeen, met enige geringe verschillen, dat de werkelijk eerlijke mens alleen maar met de goeden in eerlijke vriendschap kan leven. Want om bevriend te worden met een slecht mens zal zijn macht om kwaad te doen alleen maar versterken. Een goed mens kan nooit instemmen en vrede vinden met het vergroten van de macht om kwaad te doen van de slechte mens."

"Dat is voor mij een nieuwe gedachte," zei ik, "maar ik aanvaard deze als waar."

"En we nemen de stelling in,"zei een ander," dat trouwe vriendschap of liefdadigheid van ons vraagt om meer zorg te dragen voor het welzijn van onze vrienden dan dat van onszelf. Boven alles is de Heer onze vriend. Daarom moeten we ons meer bekommeren om die dingen, die Hem plezier bezorgen, dan aan onze eigen zelfstandige ijdelheden."

"Dit is wat we bedoelen met vriendschap onder de engelen," ging een derde verder," en is het ons ernstig streven om aan die bedoeling te voldoen. Maar in de natuurlijke wereld wordt vaak een zelfzuchtig doel beoogd, want het verlangen naar eigen belangen laat ons diegenen bevoordelen die ons van nut zijn geweest, of door vleierij en andere kunsten welgevallig hebben gemaakt. De doorsnee mens op aarde zegt in zijn hart dat het gebod om anderen lief hebben zoals onszelf, meer een poëtisch gevoel is en dat het gebod om anderen lief meer dan onszelf lief te hebben gunstiger is. Indien het mogelijk is om aan deze liefde toe te geven, worden zij, die deze liefde aankweken slaven, beroofd van alle vrijheid, en hebben zij geen plezier in hun leven. Verdiept in zulke lompe gedachten kan de mens op aarde geen vreugde vinden in zulk een liefde. Hij droomt weinig over het onuitsprekelijke geluk, dat in een hemels gezelschap heerst, waar iedereen zijn naaste meer liefheeft dan zichzelf en waar beslist niemand in gedachten of in daden letsel wordt toegebracht."

"En houdt u hier meer van elkaar dan van uw zelf?" vroeg ik.

"Nee, alleen de engelen zijn in die gezegende toestand. Maar wanneer we een goede staat zijn, hebben we elkaar lief gelijk onszelf."

"En is uw staat niet altijd goed?"

"Ah, nee - nog niet. Onze boze neigingen zijn nog niet volkomen op zij gezet. Er zijn tijden waarin wij naar beneden worden gelaten, als het ware in ons vroegere zelf, ter zake van verzoekingen en vernederingen."

"En we zijn overeen gekomen, dat,na de Heer en de Kerk de Prins in eerste instantie onze vriend en naaste is," sprak een ander die tot nu toe gezwegen had.

"De prins ?" herhaalde ik verbaasd.

"De prins van het Hemelse gezelschap waarmee onze school verbonden is."

"Zijn er prinsen in de hemel?' vroeg ik onstuimig.

"Men leerde ons dat er hier in ieder gezelschap of provincie een is

"En leven zij in staten - in paleizen - zoals prinsen op aarde?"

"Waarom niet ? Waardigheid en eer behoren aan hen die in opperste goedheid en wijsheid zijn. Onze leraren hebben ons geleerd dat er regeringen zijn in de hemelen en daarbij verschillende rangen en standen met hoge posities, macht en gezag. Die van de hoogste rangen hebben hofhoudingen en leven in paleizen. Zij krijgen hun posities alleen maar indien zij er geschikt voor zijn. Zij zijn prinsen omdat zij de meest wijzen en de besten zijn. Hun grootste vreugde bestaat in goede belangen voor het volk. Zij verheugen zich alleen maar uiterlijk over hun met hun onderscheiding in de waardigheid voor hun zaak van orde en ondergeschiktheid. De huizen van de engelen zijn mooi, maar die van de prinsen zijn het mooist. In de verte schitteren zij van het goud en de edelstenen. Deze zijn zó buitengewoon prachtig, zoals men zich van geen enkele plaats op aarde kan voorstellen."

Dit was werkelijk, zoals het zou moeten zijn. Het lieflijke portret van hemels koningsschap verwekte in mij niets dan louter prettige gevoelens. Ik was nooit een echte democraat en wanneer de prins of koning ook een engel van de hemel kan zijn, dan met mijn gehele hart, "Lang leve de koning!"

Toen zij op die manier met me spraken, werd ik gewaar, dat een andere student onze groep naderde vanaf een verder gedeelte van het terras. Toen hij bij ons kwam keek ik op en herkende ik Alaric Mortimer

"Jij hier!" riep ik, bewogen door een nieuw en groot geluk.

Hij was veranderd. Wel was hij dezelfde knappe man met dezelfde innemende manieren, maar ik dacht dat op zijn gezicht en in de uitdrukking van zijn ogen minder van de aarde en meer van de Hemel te zien was.

"Ik wist dat je zou komen, mijn vriend - mijn dierbare vriend, toen ik me haastte om hem te begroeten en we elkaar de hand gaven. Er was een blijde blik in zijn ogen. Hij legde zijn linker arm over mijn nek - op dezelfde manier.

"Dan was jij hier vóór mij? Ben je hier al lang?" vroeg ik nieuwsgierig.

"Ja, soms lijkt het me alsof ik hier altijd geweest ben."

Toen zij zagen hoe het tussen ons was, gingen de anderen weg en vervolgden hun gesprek over trouwe vriendschap.

"En je twee vrienden op de school der wijzen?" vroeg ik en ik zag een pijnlijke uitdrukking op het gezicht van Alaric, dat ook snel weer verdween.

"Dat was mijn laatste en ernstigste verzoeking daar beneden," antwoordde hij ." Al vlug nadien werd ik naar deze plaats geleid."

Zijn woorden troffen me pijnlijk, want ik herinnerde me levendig ons afscheid in de opmerkenswaardige nacht, ons gesprek, zijn schijnbare zwakte en het feit, dat ik toen dacht dat mijn staat verder was gevorderd dan de zijne.

We begaven ons naar een plaats dicht in de buurt. Lange tijd conserveerden we met elkaar en we keken zo nu en dan naar die jonge mannen welke in het dal en op de heuvels te paard reden, maar meestal keken we elkaar in de ogen. Alaric vertelde alle verhalen van zijn worstelingen na ons afscheid, zijn pogingen om zijn twee vrienden te redden, hun vastbesloten gang naar beneden en de uiteindelijke scheiding met hen, zijn voortgaan naar zijn tegenwoordige plaats en naar zijn gelukkig leven daar.

"Ik moet berispt worden voor mijn aanmatiging," zei ik nederig. "Ik vind je hier vóór mij, reeds lang gevestigd, - jij die, naar ik dacht zwakker en minder wijs te zijn dan ik."

Hij nam hier geen notitie van en antwoordde; ik wist altijd dat je zou komen en voelde dat we te veel sympathie voor elkaar voelden, om lang gescheiden te blijven."

Zo praatten we heen en weer, tot de schemer begon in te vallen. Alaric ging met me mee naar mijn kamer, waar we lang bij elkaar zaten en alsmaar praatten, want we waren waarlijk vrienden en elkaar sympathiek. Toen hij opstond en me goede wenste, gooide ik het raam openen riep naar hem, dat de nacht helemaal geen nacht was, maar alleen een grijs schemerlicht. "Werkelijk nacht bestaat hier niet aan de grenzen van de Hemel," was zijn commentaar.

Nauwelijks was ik de volgende morgen opgestaan en gekleed, toen ik een klop op de deur hoorde en open deed. Daar stond Alaric.

"Ik wil je zo veel mogelijk zien, als ik mag," zei hij als uitleg op zijn vroege bezoek. Tot laat in de nacht had ik het gevoel dat ik hier spoedig vandaan zal gaan."

"Bedoel je dat we weer van elkaar gescheiden worden?" gaf ik als antwoord.

"Jij zult na mij komen," zei hij.

Mijn geest werd plotseling verlicht."jij wordt opgeheven naar de hemel!" zei ik plechtig met een zekere eerbied.

Dat zal wel zo zijn. Dagenlang was ik me bewust van een nieuw gevoel, dat me dit vertelde."

"hoe zou ik dit kunnen betreuren ? Het vult me met geluk als ik daaraan denk," zei ik. Niettemin waren mijn gevoelens een weinig gemengd toen we daar zo zaten en dit heugelijke vooruitzicht bespraken.

Alaric stond op om te vertrekken en zei dat hij nog verschillende plichten te vervullen had, eer de studenten die morgen bij elkaar kwamen voor de instructies. Toen hij bij de deur stilhield vielen mijn ogen op de inscriptie in gouden letters op de zuidelijke muur van mijn kamer.

"Hij die niet punctueel is beroofd zijn naaste van de tijd."

"Kijk daar," zei ik verbaasd." Dan op een wat lagere toon, "gisteren was het daar nog niet."

"Nee, en het zal er morgen ook niet zijn. Elke dag zal er een nieuwe komen, aangepast aan hetgeen we nodig hebben. Vandaag is het goed voor je om je werk te beginnen met de gedachte dat het je plicht is om steeds punctueel te zijn."

"Wie schrijft deze inscripties? de directeur?"

"Nee, zelfs de directeur weet niet welke inscripties er elke dag zullen verschijnen. Als bij magie komen en gaan deze inscripties in de kamer van elke student. Moeten wij vragen welke invloed deze regeert?"

"Ah, dit is hemel," fluisterde ik héél eerbiedig, maar wel gelukkig.

"Geen hemel, maar een hemelse leerschool, waar het alziend oog altijd op ons rust, teneinde om ons ten goede te leiden."

 

Hoofdstuk 18 - Het Bruiloftskleed.

 

Een half uur later, bij het luiden van de eerste bel, opende ik mijn deur en sloot me aan in de stoet die naar de kerk ging. Hier verzamelden zich leraren en studenten. Zij knielden eerbiedig met hun gezicht naar het geopende Woord in het oosten, dat met een wonderbaarlijke sterachtige stralenkrans omgeven was. De directeur bad tot de Heer, dat het licht van Zijn Heilige Waarheid alle geesten moge verlichten, dat de leraren steeds geleid mogen worden om rechtvaardig vanuit het Ware te denken en te oordelen en te besluiten volgens de rede en dat de geest van de studenten meer en meer geopend moge worden voor de hemelse instructies. De directeur naderde het podium in het midden van de kerk, waar het geopende Woord lag. Daar stond hij in een stralend licht en las een mooi gekozen gedeelte voor. Daarna kwam hij naar beneden en begaf zich naar een kansel aan de linker zijde, waar hij een korte toespraak hield. Hier stonden allen en wachtten tezamen, totdat hij de gang tussen de banken door was gegaan en de Kerk had verlaten. Dan gingen de andere leraren in een rei naar buiten. Als laatsten volgden de studenten, ongeveer twee honderd in getal.

Ik zal geen poging doen om alle soorten onderwijs van deze en de volgende morgens op te noemen. Indien ik dit zou doen, zouden er duizenden kolommen nodig zijn, in plaats van één. Moge het voldoende zijn als ik zeg dat ik naast de wetten der hemelse orde, over de liefde tot "God", waar denken en rechtvaardig handelen spreek, dan alle mysteries des Hemels omsloten zouden worden. Het heelal zou, als het ware, en open boek worden, wanneer alle verschijnselen, zowel geestelijk alsook natuurlijk, verklaard en duidelijk werden gemaakt in het licht van de geestelijke zin van het Woord, de echte Zon van Waarheid. In dat licht zou de mens gezien worden als een schepsel, dat naar het uiterlijk dood is en dat hij het licht krijgt uit de scheppende Goddelijkheid en dit ieder uur en moment, altijd door. In dat licht zou het universum worden gezien als een omhulsel, of wel, als een bedekking voor het geestelijke, waaruit alle leven vloeit. In dat licht zou het vast komen te staan, dat in ieder zaadje van de natuurlijke wereld, dier of plant, een geestelijke kern is, die zich bekledend met materiële dingen, voortduren zijn leven ontvangt vanuit de Hemel, van zijn Schepper en Behoeder. Zo treedt de Heer binnen in het innerlijk van ieder ding in de natuur en geeft het zijn bestaan en eeuwige substantie. Indien Hij voor een ogenblik deze levengevende innerlijke kracht, welke vanuit Hem naar beneden vloeit, zou terug trekken, dan zou het gehele universum ontbonden worden en in een ondenkbare chaos worden veranderd.

Laat hieraan worden toegevoegd, dat onderricht hier verschilt van dat van de aarde, zodanig, dat waarheden dan niet met herinneringen werden verbonden, maar met het leven zelf. Zij zouden dan alleen maar geleerd worden om ze te doen. De aandoening van het goede zou voortdurend ingegeven worden, alleen maar voor levensgebruik.

In de middag van deze dag, de eerste waar ik aan de voeten van de leraren zat - mochten de studenten zich zoals gewoonlijk, terugtrekken om zich te verkleden. Een uur later kwamen allen in de eetzaal bij elkaar, want het was een feestdag. De tafel was zó gearrangeerd, dat zij drie lange zijden vormde, met in het midden een lege rechthoek. Er was geplaatst op een wijze, zodat men elkaar van alle kanten kon zien, die parallel waren. De hoofdmeester had een ereplaats met aan weerszijden zijn assistenten. Langs de lange kanten zaten de reien studenten. De leraren keken uit op de oostkant van de hal, waarin een spreekgestoelte en een tafel stonden, in het volle zicht vanuit ieder deel van de eetzaal.

D e studenten droegen de witte feestgewaden, zoals eerder beschreven. De leraren droegen een goud - of zilverkleurig onderkleed met daarover een blauwe toga. De hoofdmeester droeg daarbij een dieprode cap van een rijke rode kleur. Deze glom aan de voorkant van verscheidene, prachtige stenen, in de vorm van een adelaar met gestrekte wieken. In deze herkende ik het wapenteken, dat bij iedere wending te zien was en ook in de deuren gegrift en ook als blazoen op de muren aangebracht waren. In het laatste geval bevond zich daaronder deze inscriptie:

"Uw jeugd is vernieuwd als die van een adelaar."

Mooi en sterk leken deze woorden in het licht van de waarheid, dat de jeugd van de inwoners van de Hemel voor altijd vernieuwd zou worden. Ik dacht:"het is heel toepasselijk dat voor het hoofd van het wapen een adelaar werd gekozen, geboren uit dit college, waar jonge mensen onderwezen werden in de waarheid. Ik herinnerde me, hoe Ariël me had geleerd, dat vogels, die door de lucht vlogen, een overeenstemming van intellectuele dingen zijn.

De feesttafel was prachtig met echte bloemen en schalen van zilver en goud. Er waren veel vruchten, zoals grapefruit, olijven, vijgen, granaatappels enzovoort, bovendien heerlijk brood en wijnen. Maar voordat iedereen ging zitten en allen om de tafel stonden sprak de hoofdmeester een ernstig gebed en zei: Mogen jullie met dit eten en drinken in wederzijdse liefde verbonden en nader tot de Heer gebracht worden, als representatie van het goede en het ware uit Hem. Gedurende het feest waren de studenten aandachtig voor de gesprekken van de leraren voor een onderwerp, speciaal voor deze gelegenheid gekozen, hetwelk was: "De Kerk des Heren in de Hemel en op aarde." Nooit eerder was het zó tot me doorgedrongen, hoe relatief gering en verachtelijk een enkel mens was. Toch was de enkele mens een wondervolle wereld op zich, die de glorie van de Schepper mocht verklaren. In alle aardbollen, verbonden met de miljoenen zonnen en sterren van het natuurlijk heelal, zijn alle hemelen uit deze aardbollen gedurende ontelbare eeuwen gevormd. Het werd getoond, hoe klein, relatief gezien, in verhouding die buiten de kerk zijn met diegenen binnen de kerk - dat wil zeggen, de bozen in verhouding tot de goeden. Een derde deel van de mensheid stierf in de kinderjaren of als kind. Zij zijn gered en verbonden met hen die wedergeboren zijn op volwassen leeftijd door de leer van de Heilige Schrift of in de Hemel, door een leven van onschuld en naastenliefde. Zij vormen de Kerk van de Heer in een zó groot aantal, dat de duivels in de hellen en het kwaad op aarde, alles bij elkaar maar een onbelangrijke minderheid zijn.

Over deze onderwerpen werd nog veel gepraat en we zaten een lange tijd bij elkaar - een tijd, die voor ons zeer genotvol was - toen de directeur aankondigde, dat we nu gingen luisteren naar een van de studenten, die wenste te spreken. Met aangename verrassing zag ik Alaric opstaan, naar voren komen en het spreekgestoelte bestijgen in het oostelijk gedeelte van de hal. Terwijl hij naar ons keek, maakte hij een hoffelijke buiging naar de leraren, groette de studenten en begon te spreken. Nooit eerder had hij zo knap geleken. Zijn houding was een uitdrukking van geluk en vrede, die kalmerend werkte. Ik zou willen dat ik deze mooie toespraak zou kunnen weergeven. Nu geef ik alleen de hoofdzaken, zoals zij in mijn herinnering leven.

Geliefde vader, geachte leraren en mijn dierbare broeders," begon hij en hij richtte zich aan de president, zijn assistenten en de studenten. "U weet allen, dat, toen onze genadige Heer beneden op aarde wandelde, Hij op een keer voor eenvoudige mensen een eenvoudig verhaal vertelde. Er was een zekere koning, die een bruiloft organiseerde voor zijn zoon. Terwijl de koning zich naar zijn gasten in de feestzaal begaf, zag hij daar en man die niet in een bruiloftsgewaad was gekleed en hij sprak tot hem,"Vriend, hoe kom je hierheen? Je hebt geen bruiloftskleed aan?" De man was sprakeloos. De koning zei tot zijn vrienden,"bindt zijn handen en voeten, breng hem weg en werp hem in de uiterste duisternis."

Dit verhaal werd gesproken door de Heer, eenvoudig in de letterlijke vorm, maar er lag daarin een verborgen wijsheid. Van de Heilige Schrift leren we dat in de geestelijke zin met het huwelijksfeest de hemel wordt bedoeld, waar het huwelijk is tussen het goede en het ware in iedere engel en door de man zonder bruiloftskleren, diegenen, die de geestelijke wereld binnen gaan, verstoken van het geestelijk kleed, dat nodig is om hem geschikt te maken voor de Hemel. Laat ons zien, wat het werkelijk betekent om zonder bruiloftskleed te zijn.

"In deze tijd wordt de mens geboren met alle boze neigingen, die hij van al zijn voorvaderen geërfd heeft en die hij ook zelf heeft verworven en daardoor corrupt is geworden. Zijn verstand en zijn wil zijn beiden verdraaid. Hij begrijpt niets van de echte waarheid en wil niet het echte goede. Hetgeen hijzelf goed noemt is in werkelijkheid boos en vals. Bij voorbeeld, in zijn hart zegt hij dat iets goed en waar is, om zichzelf meer lief te hebben dan anderen. Hij is bezorgd voor zichzelf maar niet voor de ander en begaat elke zonde zie hem op de een of andere manier begunstigd en hem plezier doet. Wanneer iemand hem tracht te benadelen of te kort te doen in deze boze liefden, die hij heimelijk goed noemt, dan haat hij die persoon en brandt van verlangen om in gedachten wraak te nemen, terwijl hij er genot in vindt om deze persoon te vernietigen. Dit is de staat van de mens, eer hij hervormd is en doof is, als de Heer aan de deur van zijn geest en zijn hart klopt gaat hij verder en bevestigd zich in deze boze neigingen. Hij verontschuldigd deze en noemt ze goed. Daarbij verderft hij zijn verdorven natuur meer en meer en hij zinkt steeds dieper in de liefde voor wat hels is. Het maakt niet uit, hoe goed hij uiterlijk ook schijnt te zijn in zijn moraal en zijn burgerlijk leven.

Als hij in de geestelijke wereld komt, dan bezit hij nog dezelfde slechte neigingen. De essentiële natuur, die hij zich in de wereld verworven heeft blijft bij hem. Een mens heeft zijn eigen levensliefde. De boze neigingen domineren altijd bij hem, ja, zij beïnvloeden de structuur of zijn ziel. Dan wordt hij herkend als een helse geest. Er zijn inderdaad sommigen, die door lange gewoonte in het leven van het lichaam zulke vormen van bedrog zijn geworden. Zij verbergen hun eigen innerlijk en voeden hun uiterlijke dingen, zodat zij zichzelf kunnen voordoen als engelen des lichts en dringen zelfs de lagere hemelse gezelschappen binnen. Maar zulke geesten kunnen het daar niet lang volhouden, want niet alleen worden zij spoedig herkend, maar zij worden innerlijk gekweld en gefolterd. Door de tegenstelling met de hemelse aura, die bij hen invloeit en werkt, lijden zij. In een hemels gezelschap wenst iedereen de ander meer goed dan zichzelf. De boze mens is onder de engelen als een wolf onder in een schapenvacht. Hij draagt niet zijn bruiloftskleed. Tegenover het goede en het ware is hij naakt. Dit kleed had zijn gezegende voorkeur verworven die hij als bruiloftskleren ging aantrekken. "Hij wordt in de uiterste duisternis geworpen," of in de hel bij zijns gelijken.

Onze Hemelse Vader heeft er barmhartig in voorzien dat dit geërfde kwaad wordt nagelaten, indien de mens alleen maar met Hem wil samenwerken. Dit wonderbare werk wordt voltooid door wederverwekking door de Heer en het betekent het ontvangen van de nieuwe wil en een nieuw begrip betekent. Het kan niet in één moment gebeuren maar het is een strijd voor het leven. Door Goddelijke openbaring moet een mens eerst leren wat het boze en valse is en wat goed is en waar.

Door Goddelijke barmhartigheid is het zó geregeld dat hij bij voorbeeld eerst leert de schijnbare waarheden te herkennen en dat de liefde bij hemzelf begint. Dit zelf moet eerst worden bekeken en dan pas van de ander. Men moet goed zijn voor de armen, de weduwen en wezen, hoe ook zijn kwaliteiten of karakter moge zijn. Hierdoor kan de Heer aan een geregenereerde wil werken. Dit is het beginstadium in de kindsheid van een nieuw leven. De staat van de jeugd, het begin van de volwassenheid groeit gradueel als men niet meer kijkt naar de persoon in zijn uiterlijke dingen, maar alleen naar zijn neigingen tot het goede, eerst in het burgerlijke, zijn moraal en tenslotte zijn geestelijk leven. In deze staat van wederverwekking van zijn verstand en zijn wil geeft de mens de voorkeur aan het goede. Van daaruit leert hij van het goede te houden dat in hem is. Dan ziet hij wat het in werkelijkheid betekent om de Heer en zijn naaste lief te hebben en daar vreugde in te vinden. Hij begrijpt, dat de Heer werkelijk liefhebben wil zeggen, om te doen wat de Heer wil en zó Zijn wetten te eerbiedigen. In die staat ziet hij dat men vriendelijk en goed moet zijn voor iedereen, maar dat hij een studie moet maken, ten einde alleen maar aan hen het goede te doen, namelijk aan die mensen in wie het goede woont, omdat niemand anders de ware naaste is.

"Zo gaat hij dus verder met het boze te mijden en het goede te doen, altijd kijkend naar de Heer, totdat hij zijn natuurlijk lichaam aflegt en de geestelijke wereld binnen gaat. Hij is dan naar lichaam en geest een nieuw schepsel. Dan is hij geestelijk gekleed en heeft het bruiloftskleed aangetrokken. Nu komt hij tot het huwelijksfeest dat voor hem bereid en door de Heer volkomen is voorbereid. Het goede en het ware hebben zich nu in een eeuwig durend huwelijk verbonden."

Dit was op deze opmerkenswaardige dag in grote trekken de toespraak van Alaric Mortimer. Na de beëindiging van deze toespraak stopte hij even voor een moment in stilte, die bekroont werd door de bijval van de leraren, die allen naar hem keken met een glimlach en door het aanhouden applaus der studenten voor hij van het spreekgestoelte stapte en zijn plaats innam. Een stralend licht spreidde zich uit over de plaats waar hij stond. Naast hem werd een engel in een glanzend gewaad gezien met een bladerenkrans van laurier voor hem.

Ik had kunnen gillen van blijdschap. Maar toen de engel de krans op zijn hoofd had gelegd, nam hij hem bij de hand en leidde hem vanaf het speekgestoelte door een deur aan de oostelijk gedeelte naar buiten. Ik werd me ervan bewust dat mijn hart bijna in mijn schoenen zakte. In stomme verbazing stond ik te kijken en realiseerde me dat ik aan mijn eigen geluk dacht en niet aan dat van mijn vriend.

Toen ik naar hem keek stond de directeur intussen op. Naar mijn uitdrukking te oordelen, begreep ik, dat hij de engel niet verwacht had.

"Het was alsof hij wilde zeggen, "Het kwam eerder dan ik verwachtte.

De andere leraren stonden allen op en volgden hem met gebogen hoofd door de eetzaal in dat mysterieuze appartement aan de oostkant van het vertrek, dat ik niet kende, waarin mijn vriend en broeder verdwenen was. Wat gebeurde daar? De studenten keken betekenisvol naar elkaar, maar niemand vroeg iets. Het was duidelijk dat Alaric nu werd opgeheven naar de Hemel. Intussen had ik alle zelfzuchtige gevoelens onderzocht en was ik blij voor hem. Mijn vreugde werd getemperd door een vage onbehagelijkheid met

betrekking tot mezelf. Zou ik hem zeker volgen?

De studenten namen weer plaats in eerbied en in zwijgen. Het was vreemd stil in de eetzaal. Maar plotseling ging in de oostelijke muur de deur open. Alaric trad erdoor, begeleid door verschillende meesters. Zijn ogen straalden als sterren en zijn gezicht droeg een onbeschrijfelijke uitdrukking van vreugde. Wij, die onze ogen op hem gericht hadden en hoewel we deze tekenen gade sloegen, konden slechts dromen over wat dit voor een geluk was. Hij stond op het podium en sprak een paar afscheidswoorden, die ik nauwelijks in me opnam. Zó groot was mijn opwinding.

Toen hij uitgesproken was, stonden de studenten op en gingen stil naast hem staan. Zij zeiden hem vaarwel. Ik stond achteraan en naderde hem als laatste. Glimlachend trok hij me op het podium en hield mijn hand vast in een lange greep. Mijn gehele hart ging in liefde en vriendschap naar hem uit.

"Jij zult na mij komen in hetzelfde gezelschap in de Hemel," zei hij. "Ik voel het."

"God geve het," antwoordde ik.

Dan legde hij zijn arm rond mijn nek - deze jonge engel - en kuste me stil op het voorhoofd. Het volgend ogenblik was hij verdwenen.

De andere studenten mochten gaan en verlieten de eetzaal. Zij begaven zich op het terras in verschillende groepen en bespraken deze grote gebeurtenis. Lange, lange tijd verbleef ik op deze verlaten plaats, zelfs toen de leraren terugkeerden door die mysterieuze deur. Dan liep ik snel op hen toe en vroeg:

"Is hij met de engel naar de Hemel gegaan?"

"Hij is gegaan."

 

Hoofdstuk 19 - Het meisje en de duif

 

De volgende dag hielden mijn gedachten zich meer met Alaric bezig, mijn engelvriend, dan met mijn leermeesters en wat zij mij leerden. Maar de dag daarop zette ik mijn gedachten terzijde en verkeerde ik in een kalme en vredige toestand. Waarom zou ik er zoveel aan denken, daar het maar een tijdige scheiding was. De Heer regeerde in alle dingen. Elke gebeurtenis in mijn leven werd beslist geregeld in het uitzicht op een eeuwig welvaren. Laat me dan een evenwichtige geest bewaren, waren mijn innerlijke gedachten, en ernaar streven en me met bereidwilligheid in de stroom van de goddelijke voorzienigheid begeven, terwijl ik intussen het nodige werk ga verrichten, eer de tijd rijp is voor het openen van de hemelse poort.

Gedurende enkele dagen vervolgde ik mijn studies, kalm en gelukkig met deze gedachten; maar buiten de muren van de Hemel bestaat geen echte vrede. Moge de tijd onverwachts komen voor deze onwaardige als ik, wiens hoop en vertrouwen nu nog wel eens wankelde. Op een dag gebeurde het, na een gelukkig feest, waarop de leringen van de volgende dagen als het ware bekroond werden, toen ik alleen een wandeling maakte. Later zocht ik zelden de eenzaamheid, want het gezelschap van mijn medestudenten was in ieder opzicht zó aangenaam, dat ik niets liever wenste, tenzij het met de leraren zou zijn. In het eerste geval was het gezelschap als een bos met verschillende bomen, in het andere geval als een mooie en goed aangelegde tuin, wat de studenten waren intelligent en de leermeesters wijs. Maar op deze dag, toen de anderen te paard of te voet in groepen de frisse lucht zochten, werd ik sterk gedreven om alleen te wandelen. Ik koos een pad dat zuidwaarts naar een dal leidde en ging tenslotte een heuvel op naar het oosten. De statige bossen die in blijvende verscheidenheid het slingerende pad flankeerden, hieven mijn geest omhoog met blijde gedachten. Ik werd overstroomd door een atmosfeer van rustig geluk.

Op de top van een heuvel zag ik met welgevallen beneden me een mooi dal met in het midden van een helling een gebouw dat leek op onze school, maar met een eigen kenmerkend karakter. De glimmende torens waren slanker en sierlijker, in contrast met onze meer massieve torens. Sterk daartoe aangetrokken, ging ik naar beneden via de met woud begroeide heuvelkant, naar het dal. Gelukkigerwijs raakte ik de richting kwijt en kwam ik niet in de nabijheid. Ik zag niet het mooie gebouw. De dennen, zilversparren en ceders liet ik achter me en kwam ergens uit waar mirtenstruiken stonden, in fluisterende groepen - want een zachte wind bewoog hun groene, eivormige bladeren. Gracieuze palmen zagen neer op bloeiende amandelbomen, waar een scharlaken bloem als een vlammend laken op de grond gedrapeerd lag. Op dit eigenaardige plekje zag ik iets, dat mijn voetstappen vertraagde.

Een mooi jong meisje - mirten rechts van haar, amandelbomen links, slanke palmen achter haar en de dieprode bloemen aan haar voeten. Zij zat op en tuinbank, gebogen over een handwerk, waarin het artistiek karmozijnrood met sneeuwwitte zijden draden een onbewust echo vormden met het rood en wit van haar wangen. Aan haar zijde zat op de armleuning van de bank een spierwitte duif met een rode ring om de nek. Noch het meisje, noch de duif had de naderende indringer opgemerkt, die ineens stopte en in bewondering

en vrees zijn adem inhield.

Dit tableau was te mooi. Ik vroeg me af of ik droomde. Een tak kraakte onder mijn voeten en dit werd beantwoord. De vogel vloog met een alarmeren geluid op en het jonge meisje stond op. Zij keek me een ogenblik angstig aan en dan weer met terugkerende ernst. De eeuwen zullen komen en gaan, maar nooit zal ik deze ogen vergeten, die me doordringend aanzagen. Het waren grote lieflijke ogen van een diep donkerblauwe kleur. En dat gezicht! Mijn hart sprong bij het zien daarvan op. Met een trillende golf van vreugde was ik overtuigd, dat alle schoonheid, alle zachtheid, alle adeldom en alle goedheid tezamen woonden.

"Vrees niet," herhaalde ik met ontroerde stem. Voor niets in de wereld zou ik u willen kwetsen."

"U zou me niet mogen kwetsen," antwoordde zij. De muziek van haar stem was een wonder en een waar genot. Er was geen reden tot angst. Ik zou haar niets kunnen doen, al zou ik willen. Toen zij mij dit feit mededeelde, lag het volle vertrouwen in een onzichtbare bescherming op haar gezicht te lezen, maar haar glimlach was niet onvriendelijk.

"Ik maak me zorgen," zei ze openhartig, "omdat ik betwijfel, of ik er goed aandoe om hier met u te praten."

Zij keek, terwijl zij sprak, naar haar duif, die na een opwaartse vlucht naar beneden kwam en op zich zette op de rug van de bank. Toen zij zich weer naar mij toekeerde vroeg ze me:

"Hoe kon u de wachters passeren?"

"Wachters ? ik zag niemand."

"Zij moeten u hebben gezien."

"Misschien," sprak ik nu een weinig heftig, "Misschien was er dit keer geen kwaad te verwachten en was het de indringer toegestaan zonder meer te passeren."

Weer zochten haar ogen de vogel, als om aan hem te vragen. enigszins peinzend richtte zij zich tot mij." Ik heb gehoord dat dit soms zo geregeld wordt. Door en innerlijk sein of opdracht wordt dit aan de wachters te kennen gegeven, als zij de indringer niet aan de grens behoeven tegen te houden."

De duif vloog nu terug naar haar vroegere zit. Na een moment van zichtbare aarzeling ging het jonge meisje weer zitten.

"U bent een student van de naburige school, niet waar?"

"Ja," zei ik, terwijl ik stoutmoedig dichterbij kwam. Dan vroeg zij me vriendelijk om naast haar te komen zitten.

"En jij, wil je me niet vertellen wie je bent?" Mijn manier van doen was ernstig, zelf warm, maar volkomen respectvol.

"Ik behoor tot onze school voor jonge vrouwen," antwoordde zij eenvoudig. Terwijl zij haar mooie ogen even van haar borduurwerk tilde en me met open blik aankeek.

"En je bereidt jezelf voor, voor de Hemel," zei ik, niet op een vragende toon, zó zeker was ik ervan en zó blij te weten, dat er eenzelfde school als die van ons, ook voor jonge meisjes was.

"Ja," zei ze, "ons wordt steeds geleerd om vooruit te zien naar de Hemel, die ons steeds meer nabij schijnt te komen, wanneer de tijd voor onze medescholieren gekomen is, om daarheen verheven te worden."

En was je reeds lang in deze school?" vroeg ik verder, benieuwd naar meer bijzonderheden.

"Al drie jaar," was haar overtuigde antwoord. "Voordien leefde ik gedurende vijf jaar in een andere school."

"Jij hebt langer dan ik in de geestelijke wereld geleefd."

"Ik kan me de natuurlijke wereld nauwelijks herinneren," zei ze. "Ik was nog een klein meisje van tien jaar toen ik daar weg ging. Bij mijn komst hier nam een engelmoeder me onder haar hoede en plaatste me op een school met andere meisjes van mijn eigen leeftijd. Zij was daar een van de leraren en zij was zó mooi en goed, zodat ik vanaf het begin erg veel van haar hield, hoewel ik vak een ondeugend klein meisje was."

"Vertel me meer," smeekte ik, toen zij zweeg.

"Je bent nieuwsgierig of ik gestraft werd, "met een diepe, vriendelijke lach. "Ik werd vaak gestraft en terecht. Ik droeg alleen maar eenvoudige witte kleren, behalve op feestdagen. Als ik stout was kwamen er donkere, lelijke vlekken op. De engelmoeder berispte me dan met een zorgvolle blik in haar mooie ogen. Dan rende ik weg en huilde. Wanneer ik dan echt berouw had gingen de vlekken weg. Dan lachte mijn lieve moeder weer. "Soms," voegde zij toe, bestond mijn straf in het verlies van mijn mooiste feestkleren, die verdwenen of weggenomen werden. Dat weet ik niet. Een andere keer werd ik verblijdt als ik een nieuw kleed in mijn kamer vond. Dit was een teken dat ik me goed gedragen had.

Zij was iets afstandelijk en aarzelend,als zij over zichzelf praatte. Zij zweeg vaak, keek naar haar duif om te weten of zij verder mocht gaan. De ene vraag echter volgde de andere, waardoor zij gedwongen was om te praten.

Zo vertelde zij, dat zij na een paar jaar niet veel verkeerd deed, uiterlijk dan, maar dat zij soms jaloers was op haar kameraadjes en hen in haar hart beschuldigde van kwaad doen. Dan kwamen de bewuste straffen terug of de rozen in haar tuin lieten hun kop hangen en maakten een verwelkte indruk. Het was namelijk een van haar plichten om in een kleine tuin de bloemen te verzorgen, waarop haar kamer uitkwam. Geleid door dit teken, om haar slechte aard te erkennen, werd zij dan door verdriet getroffen. Als haar berouw dan echt was, gingen de rozen weer hun kop oprichten en werd hun frisheid en jeugd vernieuwd.

"Hoe schattig!"

Zij zei, dat zij soms, als zij even uitging, de gehele aanblik van haar tuin veranderd was, niet alleen verdord, maar ook het onkruid kwam op. Dan wist zij dat zij kwaad gedaan had. Niet voordat zij zichzelf beproefd had en het werk van berouw voltooid had kwam alles weer in orde, als tevoren.

"De tekens, die de Heer je in je school zendt, zijn gericht aan je aandoeningen, maar degenen die Hij ons geeft zijn redelijk."Ik vertelde haar, wat op de muur van mijn kamer geschreven was op de eerste dag en iets dat ik later zag.

"De Heer leidt ons op onnoembare wegen," zei ze. "Ik had reeds eerder gehoord van de wonderbare geschriften op de muren."

Zij vertelde nu, dat zij, toen zij vijftien jaar was en een groot meisje werd, zij naar de tegenwoordige school was gegaan, waar zo veel dingen anders waren. Haar bloemen had zij nog, maar er was nu een nieuw teken. Zij had en duif gekregen en werd door haar gewaarschuwd als zij onvriendelijke gedachten had of ongehoorzaam was in haar doen. Zij had gehoord dat de meisjes in sommige scholen zwanen kregen, in andere paradijsvogels en in weer anderen lammeren.

We hadden elkaar tot op dit uur nooit gezien. Hoe vreemd was deze vrijmoedigheid en het vertrouwen ! Vreemd, dat ik het gevoel had, alsof ik haar vanaf mijn jongenstijd had gekend!

"Ik zegen de dag, die me hierheen bracht," zei ik tegen haar met een lange, lange blik, toen zij zweeg.

Het was een moment stil, nadat ik had gepraat. Dan hoorde ik het klapwieken van vleugels. Het jonge meisje stond op.

"Mijn vogel vloog weg!" Ik ben te lang gebleven, voegde zij eraan toe en ging weg.

Ik sprong op om haar te volgen, maar een blik uit haar ogen hield me tegen. Dan stak ik mijn hand op en volgde haar, maar mijn voeten zaten vast.

"Elke dag zal ik bidden om je weer te mogen zien," zei ik met een gevoel van pijn.

Zij hield niet stil, maar weer keek zij om en glimlachte. Die glimlach was hemels.

"Denk eraan," riep ik haar zacht na en dan tot mezelf, "Herinner wat mijn dagelijks gebed zal zijn."

Zij stond niet stil, maar keek weer om. Steeds was er de hemel in haar glimlach. Zo ging zij verder, totdat de mirten haar opeisten en de amandelbomen haar aan mijn gezicht onttrokken. Ik, die daar alleen stond, keek om me heen met en onbepaalde spijt en pijn als iemand, die ontwaakt uit en mooie droom.

Toen keerde ik me om en ging mijns weegs, blindelings verder lopend, vervuld met onrustige gedachten van een jonge man, die voor het eerst gelooft dat hij van een meisje houdt. Nu liep ik de met woud begroeide heuvelkant op en vergat dat de wachters vermoedelijk de grens bewaakten. Ik ging naar ons eigen dal en wandelde daar, totdat de schemer inviel. Dan zocht ik mijn eigen kamer op in de school en vermeed iedereen.

Mijn ziel was treurig. Nieuwe en onverwachte gevoelens werden in me wakker. Hier was ik dan, een geest, die naar ik hoopte, zich ging voorbereiden tot de Hemel. Mijn gehele ziel trilde door gedachten van liefde en een huwelijk met, een meisje! Was dit de laatste kroon op de verzoekingen uit de hel? Had de Heer niet, toen Hij op aarde was, gezegd, "Want in de opstanding uit de dood worden zij niet gehuwd of tot een huwelijk gegeven?" Hoe vol kwaad was ik wel, omdat ik zulke gedachten had en zulke emoties voelde! Maar als dit zonde is, hoe zoet is dan de zonde! En als de Hemel zonder liefde is, hoe onvolkomen is dan de Hemel!

 

Hoofdstuk 20 - Licht na schaduw

 

De gehele nacht door vocht ik met mijn gedachten van liefde -al de volgende dagen en de dagen daarna - terwijl ik naar mijn meesters luisterde. Maar de liefde overwon, niet ik zelf. In wanhoop zocht ik tenslotte een gesprek met de hoofdmeester. Hij bepaalde dat ik hem in de ontvangkamer zou mogen spreken.

"Wat is er aan de hand, mijn zoon ?" vroeg hij vriendelijk, toen ik aarzelend voor hem stond." De laatste drie dagen heb ik gezien dat het niet goed was met je., maar ik heb gewacht om met je te praten."

"Ik kom uw hulp vragen, mijn vader, want ik ben diep bedroefd. Ik ben geschokt door vreemde wensen en gedachten, vreemde gedachten en vrees dat ik nooit naar de Hemel kan gaan. Soms, zelfs vaak heb ik gewenst om er niet heen te gaan. Ik voel me hulpeloos. Ik weet niet wat ik ervan moet denken of wat ik moet doen."

"Niet wensen om naar de Hemel te gaan?" echode de hoofdmeester met een doordringende blik.

"Ja, dat is zo, mijn vader," zei ik en keerde mijn ogen af.

"Realiseer jij je, wat je zegt? Het is zeker dat je in een staat van verzoeking bent, maar dat is niet voldoende om deze, - waanzin te verklaren."

Ik liet mijn hoofd hangen. Na een ogenblik ging hij voort met een zó grote ernst, zoals hij nooit eerder had getoond. "Is het mogelijk dat je nu terug kunt, nadat je zó ver bent gegaan ?"

"Luister, mijn vader, zou ik niet voor altijd in deze middelste wereld kunnen blijven en diegenen die uit de wereld komen mogen onderrichten en daarmee de Heer zo goed mogelijk dienen ?" vroeg ik heftig. Al mijn gedachten die in mijn geest rondwentelden gooide ik eruit.

"En waarom ? Wil je stilstaan op de drempel en tevreden zijn, alleen al met de toon van de muziek en daarin rond blijven dansen? Wil je in de poort blijven staan, nadat de bruidegom met zijn vrienden naar binnen, naar het feest is gegaan? Waarom ?"

"Omdat ik gemerkt heb, dat mannen en vrouwen hier in een huwelijk leven."

"Spreek en verklaar dit mysterie."

"Ik heb gezien, o mijn vader, een vrouw, een jong meisje en ik heb haar lief. Deze drie dagen heb ik hard gevochten en nog houdt ik van haar."

"En waarom mag je niet van haar houden ?"

Verbaasd, ongelovig sloeg ik langzaam mijn ogen op en keek de hoofdmeester aan. Ik zag geen droefheid, geen berisping, maar een blik van opluchting. Dan antwoordde ik als in een droom: "De Heer heeft gezegd: "Want in de opstanding der doden zijn zij niet getrouwd noch worden ten huwelijk gegeven."

"Heb je nog niet geleerd," vroeg de directeur met een verbaasde stem, "dat de engelen in huwelijkse staat leven en dat tedere liefde van gehuwde paren het echte leven des Hemels is, de innerlijke vreugde van hen, die daar wonen ?"

Mijn hart sprong over bij deze woorden. In grote verwondering en pijnlijke verwarring voelde ik de zon weer schijnen. Toch - toch was er nog een wolk.

"Maar die woorden van de Heer,mijn vader ?" "Ik zal het je uitleggen," was het geruststellende antwoord. " Je hebt uit het Goddelijk Woord geleerd, dat de Heer,toen Hij op aarde was,vaak in gelijkenissen sprak tegen de eenvoudige mens, die niet begreep en ontheiligd zou hebben. Hij sprak niet de werkelijke waarheid, die versluierd werd. In de innerlijke, onvervalste zin betekenen deze woorden: "Bij de opstanding der doden zijn zij noch gehuwd, noch worden zij ten huwelijk gegeven, dat het huwelijk tussen goed en kwaad in de mens niet kan plaatsvinden, nadat hij in de geestelijke wereld is gekomen, voordat dit huwelijk reeds in de natuurlijke wereld begon.

Met andere woorden,hij kan niet de Hemel binnen gaan, zonder dat hij echt aan zijn wederverwekking op aarde is begonnen. Het is onmogelijk dat een huwelijk tussen goed en kwaad plaats vindt in een geest, die zich tijdens zijn leven in het boze bevestigd heeft."

"En leven de engelen als man en vrouw ?" vroeg ik, half bang dat ik wakker zou worden en gewaar werd dat deze woorden, die ik hoorde, uit het land der dromen kwamen.

"En is daar "- vroeg ik verder - zijn daar nakomelingen uit deze liefde?"

"Geen natuurlijke nakomen. Het is volgens de orde en Goddelijke wetten dat alle mensen of alle engelen in de natuurlijke wereld worden geboren. Daarom worden er in de Hemel geen kinderen geboren. De vruchten van het huwelijk zijn een voortdurend groeiende liefde voor de Heer en de naaste. Deze liefde van een man voor een vrouw en van een vrouw voor een man is in een ieder met de schepping ingeplant en het is de sterkste neiging van het menselijk ras. Na de dood wordt deze niet weggenomen. Dit is niet de wil van Hem, die de Bruidegom en Echtgenoot van de Kerk is, zoals een bruid en vrouw. Maar dit duurt in alle eeuwigheid, onzuiver en echtbrekend bij de duivels die dit zelf veroorzaakten, maar zuiver , rein en hemels bij de engelen."

Een gezang van blijdschap klonk in mijn hart. Mijn onrustige ziel was al in vrede. "En mag ik dan hopen ?" vroeg ik vertrouwelijk, dat ik op een dag dit meisje mag trouwen en dat ik met haar in de Hemel mag leven ?"

"Dat mag je, maar bedenk, dat er condities aan verbonden zijn."

"Zeg me, welke dat zijn."

"Een echt en gelukkig huwelijk is op aarde voorzien voor diegenen, die vanaf hun jeugd dit gewenst en ervan gehouden hebben. Zij hebben aan de Heer gevraagd om een wettelijke en goede verbinding met één en een afkeer van ijle lusten hebben. Hier zijn dezelfde condities. Als u die trouw in acht neemt zal de grootste van alle zegeningen de uwe zijn. Om U voor het hemels huwelijk voor te bereiden moet u overspel mijden als helse boosheden. Je moet steeds bedenken dat men dit niet kan zonder alle andere boosheden te schuwen, omdat echtbreuken een complex van alles zijn. Denk erom, als schoonheid alleen verbindt, dan is het overspel. Een echt huwelijk is een verbintenis van geest en ziel. Zulk een huwelijk komt overeen met goed en waar. Om dit te bereiken moet je zó leven dat in je geest en in je hart het ware met het goede verbonden wordt. Dit werk ben je reeds begonnen en je mag het hier voltooien, als je dit wilt. Studeer dan ijverig het Goddelijk Woord. Laat al je gedachten en tevens je aandoeningen bij deze studie betrokken zijn. Zo zul je geschikt zijn om met een lief engelmeisje verbonden te worden. Haar gedachten wensen zullen dan dezelfde zijn als die van jezelf, omdat zij in overeenstemming zijn met de wetten des Hemels."

"Zulk een verbintenis," besloot de directeur ernstig, is de gelukkigste van alle geluk, de zegen van alle zegeningen. Mijn zoon, moge het elke dag je zorg zijn om eerbiedig tot de Heer te bidden dat Hij je voorwaarts moge leiden en je voorbereiden en je bekronen met Zijn liefde."

Toen mijn geliefde meester deze slotwoorden uitte, herinnerde ik me mijn gelofte, die ik in tegenwoordigheid van dit lieve meisje had gesproken.

"Elke dag zal ik bidden om je weer te mogen zien." - Toen ik mocht gaan herhaalde ik daar buiten vurig telkens weer deze woorden.

De gehele wereld was veranderd. In mijn ogen waren ons dal en de het omgevende heuvels verheerlijkt, ogen die zwierven van heuvel tot heuvel en die door tranen verduisterd waren.

"Elke dag, ja, elk uur," fluisterde ik, met versnelde ademhaling, totdat ik geschikt ben om haar weer te mogen zien, telkens weer en dan voor altijd! tot op de grote dag waarop zij de mijne is, alleen voor mij, totdat we samen on uiteindelijke tehuis hebben gevonden, om daar begiftigd met de bloei dar eeuwige jeugd te leven, waar stralende blijdschap ons zal ons zal vervullen met niet te dovende fakkels!"

Op hetzelfde uur,terwijl ik in ons lieflijk dal liep te wandelen, geheel alleen, beleefde ik een vreemd avontuur. Toen ik diep over de vereniging van gehuwde paren in de Hemel aan het denken was, werd in mijn geest plotseling de herinnering wakker aan mijn moeder, de zoete afgod uit mijn kindertijd, die vervaagd was, daar zij van ons wegging toen ik nog geen tien jaar oud was. Ik herinnerde me dat mijn vader niet weer getrouwd was, dat mijn tante - die bij me was met mijn zuster, toen ik ziek was, naar ons huis kwam om voor ons te zorgen en dat mijn vader ons zes jaar later verliet en naar de geestelijke wereld ging. Als de engelen in huwelijken leefden, dan zouden mijn geliefde ouders nu samen wonen, zoals in de wereld. Oh, dat ik ze mocht zien. Waarom had ik daar niet eerder naar gevraagd ? Waar waren zij nu. Was het omdat ik door de Goddelijke Voorzienigheid daarvan was afgehouden op goede en gegronde redenen. Of was de lange scheiding de oorzaak waardoor zij zo ver van mijn gevoelens verwijderd waren zodat nu pas de herinnering opkwam ? Het laatste scheen onmogelijk en kon ik me niet herinneren dat ik ooit in gedachten naar ze gevraagd had sinds ik in de geestelijke wereld was aangekomen.

Nu vroeg ik héél ernstig, speciaal naar mijn moeder, die ik me met en soort tedere genegenheid herinnerde. Terwijl ik verder wandelde naar een eenzame plek dacht ik zeer intens aan haar. Ik was benieuwd of het mogelijk zou zijn om haar te zien. Mijn wens werd vervuld. Meteen toen ik mijn ogen opsloeg, zag ik haar staan op het pad, maar een paar passen bij me vandaan. Het was onmiskenbaar mijn moeder, maar erg veranderd, zo veel jonger, zo veel mooier. Zij was het echt - zij, wier dierbare gezicht in mijn hart was gegrift.

"Moeder!" riep ik en haastte me naar haar toe.Ik zei woorden van genegenheid, legde mijn armen om haar heen en kuste haar. Zij glimlachte teder tegen me.

"U bent veranderd," zei ik en de verandering is zo mooi."

"En dit is mijn Oswald, mijn kleine Oswald,"zei ze met zachte, lage toon, die ik me goed herinnerde en die nu nog muzikaler klonk. "Jij bent ook veranderd," zei ze. Zij deed een stap terug en keek naar me.

"Maar ik ben nog steeds uw zoon en u bent mijn moeder."

Ik bespeurde een lichte verandering in de uitdrukking van haar gezicht.

"Dat was het verbond op aarde," antwoordde zij, maar onze relatie is nu veranderd. Hier is het broeder en zuster, of vriend of naaste"

Dit maakte me niet erg blij. Ik was verblind door mijn oude natuurlijke gevoelens, door de tederheid van mijn kinderlijke liefde, die nu opnieuw wakker werd en ik begreep dit niet.

"Wat betekent dit vroeg ik met veranderde stem.

"Ik dacht dat jij dit wist, Oswald," zei mijn moeder vriendelijk, met een schaduw van leedwezen op haar gelaat. Hebben je leraren je niet geleerd, dat natuurlijke verwantschappeen in de geestelijke wereld niet langer van kracht zijn ?"

"Oh, moeder !"

"In dit opzicht ben ik niet langer je moeder, Oswald. We hebben hier allen een gemeenschappelijke moeder, de Kerk en één Vader, de Heer. Het is geestelijke verwantschap, niet bloedverwantschap, die hen verbindt die samen wonen."

"Dan gaan we niet bij elkaar wonen ?"

"Dat weet alleen de Heer. Als je helemaal ben voorbereid kan het zijn dat je naar hetzelfde hemelse gezelschap geleid word, waar ik ben en ik ben blij, als het zo is. Maar als je daar bent gekomen, dan zul je apart wonen in je eigen huis, met je eigen geliefde vrouw."

"Maar mijn vader, leeft hij niet bij u in hetzelfde huis?"

Ze zei niets, keerde zich ineens om naar een bos aan de rechterkant. Dan zag ik een mannelijke engel op ons toekomen, met een edel gezicht en goed figuur. Hij kwam dicht naar ons toe, omarmde haar leest en groette me intussen vriendelijk. Mijn moeder leunde met haar hoofd tegen zijn schouder. Haar gezicht werd overgoten door een onbeschrijfelijk prachtig licht, toen zij hem aankeek. Ik merkte dat ze nu een mooi glanzend gewaad droeg, dat in verschillende zachte kleuren veranderde, van blauw tot roze, als zij bewoog. Het was prachtig om te zien. Toen ze zich tot haar metgezel wendde, werden de rozeachtige kleuren verlicht in een vlammende tint. Haar begeleider was mooi en zonder twijfel goed, maar hij was niet mijn vader. Ik kon, toen hij daar stond, niet met vriendschap naar hem kijken.

" Moeder, wat betekent dit?" vroeg ik verbaasd en verontwaardigd.

Met haar hoofd rustend tegen de vreemde, keerde ze haar gezicht naar mij toe en zei:" Hij, die je vader was is onder de goeden, maar hij woont niet bij mij. Dit is mijn geliefde echtgenoot."

Ik kon niets zeggen, zó onstuimig waren mijn gedachten en gevoelens. Mijn moeder zei na een ogenblik: "We kunnen in verband met je tegenwoordige staat nu niet langer bij je blijven. Je leraren zullen je onderwijzen." Na een kleine pauze voegde ze daaraan toe: "Moge het je goed gaan, Oswald. Op een dag, als je wat wijzer bent dan nu, zien we elkaar misschien wel weer."

En dan, eer ik mijn mond kon open doen, waren zij gegaan. In een oogwenk waren zij zomaar achter een sluier uit mijn oog verdwenen. Ik ging er een paar stappen roepende achteraan. Maar als antwoord was er stilte en leegte. Een half uur later keerde ik terug naar de school en zocht een gesprek met de hoofdmeester aan wie ik het avontuur vertelde.

"Ik merk dat je in een staat van verzoeking bent," zei hij tegen me, eer ik had gesproken. Dan, nadat hij alles gehoord had: "Wat scheelt eraan? Zij, je moeder had gelijk toen ze zei dat we allen één moeder en één Vader hebben hier. Je relatie is niet meer die van een zoon, maar alleen van een vriend, die zij teder liefhebbend hoogschatten."

"En waarom zou je treuren, omdat deze twee engelen, die op aarde je vader en moeder waren, niet samen in de hemel wonen?" vervolgde hij toen ik daar zo stil zat. "Weet je niet dat zij nog man en vrouw zouden zijn, als hun verbintenis hun beste interesses zou bevorderen ? Denk je, dat onze barmhartige Heer in staat is om twee engelen, die innerlijk niet bij elkaar passen, voor eeuwig gehuwd zou laten blijven ? In deze eeuw zijn er maar weinig aardse huwelijken die echt zijn. Door de barmhartigheid des Heren worden zulke huwelijken hier ontbonden en worden er nieuwe gevormd, die beter harmoniëren. Ofschoon je vader en moeder ontegenzeggelijk in vrede met elkaar leefden op aarde en wederverwekt werden, dan waren zij nu waarschijnlijk in innerlijke harmonie met elkaar en in de Hemel. Daarom wordt een ieder met die éne verbonden, bekwaam om het gezegende innerlijk te voorzien met tevredenheid en geluk, dat zij elkaar niet zouden kunnen geven.

"Indien je nog bezorgd bent zei de meester tenslotte, keer dan in tot jezelf en bid tot de Heer om je andere vader te mogen zien. Als dit het beste voor je is, zal je vraag verhoord worden en je zult dan alles wat ik vertelde bevestigd vinden."

"Dat is niet nodig, mijn vader, antwoordde ik nederig en met schaamte geheel overweldigd door wat ik hoorde. "Ik was niet helemaal normaal en ik berisp mezelf. Het wordt me steeds duidelijker, hoe vol kwaad ik ben - hoe weinig echt vertrouwen heb ik in de Heer !"

"Het ligt aan jezelf, om door deze ervaring wijzer te worden en je daarmee volledig te verzoenen," was het vriendelijke antwoord.

Nu zag en begreep ik het allemaal. Het was zo helder als op klaarlichte middag. De herinnering aan nicht Mary haar ellende kwam weer bij me op en ik voelde me schuldig. Wat zou er gebeurd zijn als de onduldbare band tussen haar en mijn neef niet verbroken was !

Niettemin zocht en kreeg ik een gesprek met mijn vader en ook een tweede keer met mijn moeder. Terwijl ik op enige afstand van onze school onder een olijfboom uitrustte, waar ik geheel opging in het denken aan mijn ouders en ernstig wenste om ze te zien, verschenen zij daar beiden voor me met hun hemelse consorten. Het werd een uur van veel en mooi onderwijs. Het gekozen onderwerp van dit edele gezelschap was het hemelse huwelijk. Nu voorbereid, luisterde ik met beleefdheid, intelligentie en sympathie, zeer gevoelig voor de eer die mij ten deel viel en zeer dankbaar voor alles wat zij me leerden. Zij lieten zó veel tekens van vriendschap zien en waren zó vriendelijk tegen me,dat ik tenslotte zonder vrees mijn hart voor hen opende. Ik vertelde van het meisje dat ik onder de amandelbomen vond en niet vergeten kon. Bij dit verhaal gaven zij allen blijk van vreugde en vroegen me om vertrouwen in de Hemel te hebben en te hopen dat ik haar eens zou winnen.

"Geef dit aan haar als zij de jouwe is, lieve Oswald," zei mijn moeder met een stralende glimlach. Zij nam een ring van haar vinger, bezet met stenen die straalden als een levende vlam.

Toen mijn hemelse vrienden opstonden om te vertrekken (er waren tuinstoelen, fruit en wijn aanwezig) kuste deze wondermooie engel, die mijn moeder was, me op het voorhoofd en zei:

"Twijfel er niet aan, mijn Oswald. We zullen elkaar weer zien als je het meisje hebt gewonnen waar je van houd.

 

Hoofdstuk 20 - In het dal van de regenboog

 

Deze afscheidswoorden van mijn moeder onder de engelen bleven we dagenlang bij. Zij kalmeerden mijn gedachten en doorgeurden mijn geest met de zoetheid van hemelse zegening. Mijn mentale horizon was nu helder. Het sublieme van menselijk leven was opgelost. Het wonderbaarlijke toneel waarop twee mensen in liefde waren verbonden was duidelijk. Door deze uit de hemel gezonden liefde kwamen zij steeds dichter bij de scheppende bron, die vloeide als een stroom en me meer en meer vulde met een voortdurende herinnering aan de Goddelijke goedheid en barmhartigheid. Elke dag vroeg ik mezelf af, hoe kan een mens anders dan de goedgunstige Heer vereren, die uit Goddelijke liefde in een Hemel heeft voorzien met zo buitengewone vreugden en vrede voor diegenen van zijn schepselen die graag in hemelse orde willen leven en zichzelf geschikt maken voor dat leven? Ik was niet meer bezorgd voor de toekomst, tevreden de tijd afwachtend waarin de Voorzienigheid ons zou leiden, de een naar de ander en ik dan dat meisje zou mogen krijgen dat ik voor altijd als mijn eigen zou liefhebben. Want zij en zij alleen was de mijne. Dit voelde ik met mijn gehele ziel.

Niet minder verwachtte ik de sensatie van een nieuwe grote vreugde, toen er werd aangekondigd, dat er weldra een feestdag zou zijn, waaraan twee scholen tezamen zouden deelnemen in een plaats die het Dal van de Regenboog werd genoemd. Toen de dag kwam voelde ik me als iemand die naar zijn bruiloft gaat. De korte afstand werd door de in hun feestkleding uitgedoste studenten, te voet afgelegd. Maar alle leraren reden te paard, uitgezonderd het hoofd en leider, die in een mooie wagen, welke in veel opzichten op een triomfwagen leek, maar voorzien was van een zitbank bedekt met purperen kussens.

Het Dal van de Regenboog grensde aan het territorium dat de meisjesschool omgaf. Op kleine afstand was de plek, waar ik voor het eerst mijn liefde vond onder de mirten en amandelbomen. Deze plaats was zonder meer erg mooi. Het was als het ware een paradijs van zó grote liefelijkheid, dat men dit niet in woorden kan uitdrukken. Er kan wel vermeld worden dat er bloemen waren in onbegrensde variaties, onbekend op aarde, die spontaan in bogen en cirkels groeiden, die spontaan groeiden in bogen en cirkels, waarvan de kleuren zó waren gearrangeerd, dat zij een regenboog effect hadden. Er waren gazons in alle soorten kleuren, niet alleen zachte tinten van groen en blauw, die zichzelf vormden in voortdurende mooie reeksen.

De mooiste bomen stonden in cirkels, en zelfs daar, tussen de geschakeerde kleuren van verschillend groen, was de regenboog gesuggereerd. In het midden van het dal was een mooi en uitgebreid bos, zó samengesteld, zodat de ene soort op de andere volgde in voortreffelijkheid en overeenstemmingen. De buitenste cirkel van deze voortdurende spiraal of ketens van bomen waren eiken. Meer naar binnen toe waren platanen, walnoten, laurier, beuken, zilversparren, ceders, mirten, vijgen, granaatappels, amandel, sinaasappel, de palm, welruikende struiken, wijn, de olijf. In het midden bevonden zich, in wondervolle kringen en windingen, paradijselijke bomen, die op aarde onbekend zijn, met vruchten als van blinkend goud. Hun bladeren leken wel van zilver, versierd met glinsterende smaragden.

In dit centrum was een levende tempel van groen, die gevormd werd door ineengestrengelde bomen. Hier mochten we aan de eredienst deelnemen. Toen we dichterbij kwamen stonden drie engelpriesters voor de deur, in glanzende kleren, de eerste in purper, de tweede in blauw en de derden in wit. Toen zij naar binnen gingen verscheen boven de tempel een verbazend prachtige en mooie regenboog. Later leerden we van de hoofdmeester, dat de regenboog overeenstemt met de wedergeboorte en dat niemand anders de wederverwekten zouden kunnen naderen.

Terwijl ik als een der laatsten naar binnen ging, zag ik, dat de drie engelpriesters nu in het koor waren en dat die in het rood voor een tafel van goud onder een gewelfde baldakijn stond, die bezet was met prachtige stenen. Op de gouden tafel of altaar lag het Goddelijk Woord. Toen dit geopend werd het koor met een stralend licht gevuld. De dienstdoende priesters werden omgeven door een stralenkrans - speciaal die in het purperen gewaad, die luid voorlas uit het Woord. Zij waren nu waarlijk in uiterlijk in hun gewaden engelen des lichts.

Ik had nog niet het gezicht van mijn beminde gezien, maar gedurende die mooie dienst met lezen en antwoorden, van gebeden, wijze woorden en instructies en de bezielde gezangen bleef ik gelukkig en kalm. De Heer regeerde en alles zou geregeld worden. Als er al enige tekens van teleurstellingen waren geweest, werden deze weldra vergeten toen het uur van het gastmaal kwam. Toen zag ik haar. Gedurende twee uur, of meer, die we daar zaten, kon ik steeds haar gezicht zien.

Later op de dag, toen het tempelfeest het einde naderde, vierden de leden van de twee scholen met elkaar feest. De plek die gekozen was, bevond zich in de omgeving van het wondervolle bos, maar niet in het midden. De feesttafel was net als die in onze school, die reeds beschreven werd. De jongens zaten aan de rechter kant en de meisjes langs de linker. De leraren van beide scholen zaten in paren aan het hoofd. Het werd mij later verteld dat de meesters echte engelen van de Hemel waren en dat de engelmoeders van de andere school hun echtgenoten waren. Wat mij verbaasde was, dat er een weg was tussen die twee scholen, die alleen de meesters en de engelmoeders kenden, een weg, zó kort, zodat zij praktisch een geheel vormden.

De meesters en hun vrouwen waren dus altijd samen, behalve de uren van instructies. Deze vrouwen, die moeders waren van die jonge meisjes en onder hun hoede waren, leken bijna zo jong als zij allemaal en waren nog mooier, behalve één, die daar een beetje tussen in zat. Een feestmaal had op onze school steeds een op een feest geleken, maar nu wist ik dat dit in vergelijk met dit grote feest was, als licht zonder warmte of als de vale tinten van een regenboog zonder rood.

Toen we daar zo bij elkaar zaten wees de hoofddirecteur de jongens en meisjes direct op het onderwerp betreffende het huwelijk, op de lieftalligheid en de onuitsprekelijke vreugde van een ware verbinding der zielen. Hij beschreef dit als de kroon van het geluk der engelen, waarna verlangt werd met het gehele hart. Hij herinnerde eraan, dat deze bijzondere liefde haar oorsprong vindt in een huwelijk tussen goede en het ware en dat deze alleen maar kan plaatsvinden in de harten der wedergeborenen. De hoofdmeester sprak eveneens over de bijzondere verhouding van man en vrouw in dit hemelse huwelijk. De echtgenoot, die innerlijk die liefde tot het goede en de wijsheid is, en de echtgenote, die innerlijk de liefde tot het ware is vanuit de Heer in de echtgenoot, is representatief voor de waarheid. Zo zijn dus het goede en het ware eeuwig verbonden in ieder echt huwelijk. De echtgenoten hebben dan individueel het ware met het goede verbonden in hun eigen geest en hart door waar denken en doen met elkaar te verbinden.

De directeur sprak van schoonheid, die haar oorsprong vind in de verbinding van het goede en het ware, of liefde en wijsheid, de liefde en wijsheid in de jongen en van wijsheid met de liefde in een meisje. Een meisje heeft niet de wijsheid in haar zelf lief, maar in de jongen. Zij ziet hem daarom als mooi. Een jongen die dit ziet in een meisje ziet haar als schoonheid. De uiterlijke schoonheid correspondeert met de innerlijke. De uiterlijke voornaamste bestanddelen in schoonheid en voorkomen zijn het rood en het wit en de lieflijke vermenging daarvan. Het rood behoort tot het goede of de liefde en het wit tot het ware of de wijsheid. Liefde is rood door haar warmte en is wit door het licht. Zo is het huwelijk tussen goed en waar, of tussen liefde en wijsheid weerspiegeld in de gezichten der engelen.

Tijdens het luisteren keken de jonge mannen naar de meisjes, een ieder na die van zijn keuze. De meisjes keken terug, niet met het vuur der jongens, maar wel met ware tekenen van vriendschap. En zó was dit feest alles bij elkaar het feest van liefde, van liefde tot de Heer en de naaste en de liefde van de wedergeborene, de wederverwekte man voor de vrouw. Dit was de voorproef van de Hemel zelf.

Later waren er spelen, dansen en prettige conversatie. De engelvaders en moeders waren er steeds bij. Zij namen deel aan deze vrolijke recreatie. Er was niet veel gelegenheid tot een persoonlijk gesprek. Maar wat hinderde dat ? Het was volgens de regels en dat was goed. Ofschoon de tong zweeg, was er nog het gezicht dat sprak. De wetenschap van zwijgend praten is op aarde verloren gegaan maar is wél bekend in de Hemel. Er was het oog dat geheimen der ziel vertelde. Wat gaf dat alles ? Alles was goed. Ik stond naast mijn geliefde. Bij gelegenheid, tijdens de dans beroerde ik haar hand. En soms, ah ! eens waaiden enige strengen van haar zachte donkere haar in mijn gezicht. De gehele wereld was een eeuwige glorie waar zij in de nabijheid was.

Liefde is inderdaad hemels, want de ware liefhebber verheft het voorwerp van zijn tederheid boven zichzelf, net als de hoge sterren boven de aarde.

In het Dal van de Regenboog dansten we die dag allen met elkaar, en welk een wonder van ingewikkelde doolhoven, waarin ik mijn liefste verloor maar altijd weer vond, waarin, als het haar beurt was de hand van een man te raken, het zó viel dat ik er alleen was en zij de mijne nam. In al die mazen van dat vrolijk gedans vatte zij alleen de mijne

"Zij is van mij - alleen van mij," dacht ik steeds maar weer in een stroom van verrukking, wanneer ik me dit altijd bevoorrechte geluk realiseerde, dat veel meer was dan geluk.

 

Hoofdstuk 22 - Het juweel van menselijk leven

 

Maar maanden van studie en strijd gingen voorbij eer mijn bruiloftskleed voltooid was. Wanneer ik op feestdagen aan het schoolfeestmaal zat en naar de speech van de daarvoor aangewezen student luisterde, als ik keek naar het zielsontroerende toneel, bij het plaatsen van des winnaars krans op zijn hoofd door een engel uit de Hemel, of hem terug zag komen en onvoorbereid plaatsnemen, hetgeen zo nu en dan gebeurde, was ik benieuwd, wanneer mijn tijd zou komen. Ik voelde dat die tijd komen zou en was niet ongeduldig, om zo meer tevreden in de verwachting van mijn geliefde op bepaalde gouden dagen. Hoop en vertrouwen in de Heer van alle goedheid was in mij gegroeid, maar ik stond nog steeds open voor verzoekingen. Ik was nog niet in staat en was me nog niet de kracht gegeven om alle sporen van kwaad in mijn bedoelingen en gedachten af te schudden. In het dagelijks zelfonderzoek kon ik nog sporen ontdekken van neigingen buiten het goede en ware. Er waren dagen waar in mijn gedachten de houding tegenover mijn broederstudenten niet helemaal die van liefde en naastenliefde waren. De oude geest van mededingen of jaloezie, met de begeleidende neiging tot onoprechtheid , sluimerde alleen en was niet dood. Erger dan dit, eer waren momenten waar ik behept was met gedachten van eigenwaarde, de waarheid vergetend, dat die eigenwaarde, die ik bezat, niet de mijne was maar aangebonden. De vormen van discipline, behorende bij deze boze staten die tot me kwamen onder de bescherming van de Heer waren vele en verschillende. De aard van één betreffend incident zal ik hier weergeven.

Toen ik op een dag alleen wegwandelde vanaf de school, was beetje bij beetje een gevoel van jaloezie en onvriendelijkheid tegenover een van mijn onschuldige kameraden ontwaakt en gegroeid in mijn geest. Onberispelijk in het begin, nam later de kwade veronderstelling vaste vorm aan. Het werd steeds erger. Daardoor werd ik zó geabsorbeerd, zodat ik de onheilspellende veranderingen in de mij omgevende vegetatie, die van mooi overging in het tegengestelde en nu kaal en troosteloos was, nauwelijks opmerkte. Onbespied vervolgde ik mijn weg, mijn slechte gedachten alsmaar koesterende, zodat mijn staat van veiligheid grondig verpest en treurig was. Ik verloor daardoor de weg en kwam in een wilde omgeving zonder paden, waar geen enkel teken van menselijk of dierlijk leven was. Verloren en wanhopig wandelde ik uren lang. Alleen zag ik de onvolgroeide, afschuwelijke vegetatie van distels, wilde rozen, dorens, bramen, netels en de dodelijke monnikskap.

Door al deze tekens was het duidelijk dat ik de hel naderde, waar deze gevoelens en gedachten vandaan komen en waar zij naartoe leiden. Ineens werd ik wakker en besefte ik mijn situatie. Met pijnen van overstelpend berouw viel ik op mijn knieën. Met mijn hoofd ter aarde bekende ik nederig dat ik niets dan het boze was, maar door de machtige hand van de Heer zou de hel mijn eigen plaats worden. Alleen door echt berouw en totdat de jaloezie gedood was, en alleen tedere vriendschap voor mijn broeders mijn hart vervulde zou ik het opwaartse pad terug kunnen vinden. Zó, door in mijn vroegere zelf neergelaten te worden leerde ik de volle waarheid, n.l. dat het ware at ik van boven ontvangen had, niet echt mijn eigen goede was en alleen aan de enige Bron mocht worden toegeschreven.

Maar tenslotte kwam de tijd dat mijn boze in mijn natuur geheel tot rust was gebracht, toen ik in alle dingen opzag tot de Heer en beter wilde voor mijn broeders en voor mezelf. Nu kreeg ik het gevoel, waarvan Alaric had gesproken - de waarschuwing dat mijn verhuizing op handen was. Zo gebeurde het tenslotte, dat op een dag in de eetzaal, toen ik voor mijn leraren en mijn broeders stond en woorden van waarheid sprak, geïnspireerd door de Hemel, De plaats met een groot licht werd overgoten en een engel werd gezien, die een laurierkrans op mijn hoofd legde.

Dit had ik niet verwacht. Ik dacht alleen maar en was geconcentreerd op het ware, waarover ik in gelukzaligheid mocht spreken. Toen ik de laatste woorden gesproken had, stond ik een ogenblik stil, eer ik weer naar mijn plaats ging. Op dat ogenblik scheen er een licht en kwam er een engel. De aanraking van zijn handen, bij het plaatsen van een krans was voor mij als een zegening van de Allerhoogste. Vol eerbied had ik op mijn gezicht kunnen vallen. Maar de engel nam me bij de hand en voerde me door de mysterieuze deur naar die kamer, waarin Alaric was verdwenen. Een enkele blik onthulde me veel meer pracht, dan waarop elk ander deel van de school zich op beroemen kon. De ogen rustten op wanden, bedekt met mooie en betekenisvolle fresco's in zilver op de ondergrond van goud en op de voer die gevormd werd door een enkele glinsterende , donkerrode steen. Alle leraren volgden ons naar dit vertrek, waarin de leider en hoofd, een engel, waarin ik met tevredenheid en plezier Ariël herkende, die zich tot mij richtte: “Je bent nu tenslotte volledig voorbereid om naar dat gezelschap in de Hemel te gaan die voor jouw aard het meest geschikt is en waar je innerlijk het meest nuttig en gelukkig kunt zijn. Je bent door de Heer geestelijk gekleed en nadert nu het huwelijksfeest der eeuwigheid. Nu mag je het vereiste bruiloftskleed dragen. Daarom is het goed dat je uiterlijk gekleed gaat in overeenstemming met je innerlijke staat. Ontvang nu dit huwelijkskleed, dat u door de Heer gegeven wordt en door deze boodschapper van de Hemel gebracht werd." en hij keek daarbij naar Ariël.

"Met mijn gehele hart en ziel dank ik de Heer," zei ik diep bewogen.

Dan ontdeden Ariël en de hoofdmeester me van mijn feestkleed en trokken me mijn hemels gewaad aan, dat zacht, als van een innerlijk licht glansde en rijk was en mooi van kleur. Aldus gekleed werd ik me gewaar van een grote verandering. Ik wist dat de Hemel nabij was. De engel Ariël liep nu naar het andere eind van de kamer en opende een deur.

"Ga verder door die deur," zei de hoofdmeester,"en je zult het juweel van het menselijk leven vinden." Na een moment sprak hij nog; we zeggen je nu nog niet vaarwel, want we zien je straks weer."

Glimlachend en nieuwsgierig, met genegenheid van mijn dierbare meester naar de geliefde Ariël kijkend, liep ik tussen hen in verder.

De deur ging naar buiten open en ik daalde de trap af, waar ik mezelf in een tuin bevond, van een wonderbare schoonheid. Ik was verbaasd en vroeg mezelf af, hoe het mogelijk was dat ik hiervan niets had geweten sinds ik hier op deze school was gekomen. Het Dal van de Regenboog, dichtbij de school van de meisjes en hun engelbewaarder was mooi, maar dit - ah ! Dit was nog mooier, deze tuin met eeuwig bloeiende bloemen, waar de bomen tegelijk bloesem en vruchten droegen. Het rood en het wit, het blauw en het goud, het groen en het purper, alle kleuren zaten in de bladeren en in de bloemen. De geuren die door zachte winden naar ons toegebracht werden schenen, toen zijn mijn neus binnendrongen, mijn geest op te vrolijken en mijn hart te verwarmen. Met een open gemoed door de schoonheid van deze plaats, volgde ik een slingerend pad. Door de ruisende bossen passeerde ik kristalheldere plassen, langs lachende met bloemen begroeide oevers van stromen, ver in dit paradijs, benieuwd waar ik dat zou vinden, wat men "het juweel van menselijk leven noemde," hetgeen zij mij vroegen, om naar te gaan zoeken.

Tenslotte, bij een bocht van het pad, waar alle schoonheid der tuinen gecentraliseerd schenen, zag ik plotseling mijn geliefde.

"Zij is het !" riep ik luid en ging met sprongen op haar toe.

Zij schrok niet van me; zij glimlachte. Zoals steeds was er hoop en de hemel in die glimlach. Ik nam haar hand en hield die vast. "O mijn liefste!" zei ik, want toen wij eerder tussen de mirten met elkaar spraken, mochten we geen woorden van liefde zeggen, die op mijn lippen bestierven, maar nu - nu voel ik, ik weet, dat niets me meer tegenhoudt als jij maar niet wordt gekwetst."

"Zeg het maar," antwoordde zij op lage en bevallige toon.

En dan, dan proefde ik de Hemel in de uitwisseling van de tekens der liefde. In dit zoete ogenblik vertelde ze, dat zij had geweten wat er zou gebeuren, op de eerste gouden dag toen ik daar kwam en haar vond met haar duif. Ik had alleen maar gehoopt, maar zij wist het.

"Zij vertelden me dat ik in deze tuin een kostbaar juweel zou vinden," zei ik voorts tegen haar. "Ik heb het gevonden - dat ben jij."

Als antwoord glimlachte zij eerst, maar in haar glimlach vond ik niet een spoor van instemming. "Dit vertelden zij ook aan mij toen de deur naar deze plaats werd geopend," zei ze. "En we hebben het inderdaad gevonden, maar het juweel is niet jij, noch ben ik het."

"Het is onze liefde," zei ik, toen de waarheid plotseling duidelijk werd. "De tedere liefde van getrouwde paren in de Hemel en op aarde - dat is het "Juweel van menselijk leven."

Nu begreep ik, dat ook zij naar de meisjesschool gezonden was om voor de Hemel voorbereid te worden en dat zij een bruidskleed had gekregen dat bij haar staat paste. Bij deze opmerking keek zij naar haar mooie kleed en mijn ogen, die de ogen van haar volgden, zagen dat het een rijk, zijden gewaad was, met garnering van gouden bladeren en bloemen van diamanten. De kleur van het gewaad leek op een vuuropaal. Terwijl de ogen van mijn geliefde naar me keken, zag ik de roze tinten erin glimmen zoals een zeepbel oplicht in de wind. Haar gezicht straalde eveneens. Zij kreeg een kleur, maar niet alleen met kleur. Zij had daarbij een uitdrukking van hemelse liefelijkheid. Toen ik dit allemaal zag, herinnerde ik me die mooie ring die ik van mijn engelmoeder kreeg, met haar nadrukkelijke verzoek, deze aan de hand van mijn geliefde te doen. Ik nam de ring van mijn vinger en deed hem aan de vinger van mijn beminde als gedenk aan dit gouden uur, waarin we ons blijmoedig aan elkaar gaven met het teken van die band tussen ons, die nooit meer verbroken kan worden.

De ware verwezenlijking van onze positie begon voor ons te dagen. Dit was onze huwelijksdag. Het waren werkelijk onze individuele huwelijkskleren, die in overeenstemming waren met het geestelijk gewaad van het goede en het ware, welke we onszelf, ieder voor zich hadden verworven. Maar zij verbonden ons tegelijkertijd, omdat het onze bruidskleren waren. Zij waren in dubbele zin onze huwelijkskleren, omdat het beslist voorzien was, dat we als echtpaar naar de Hemel zouden gaan. Wat zal ik over onze gevoelens zeggen, toen me dit allemaal duidelijk werd? - van onze gedachtewisseling, later, toen we een plaats vonden tussen mooie heesters en bloemen? - van onze woorden en tekens van liefde toen we elkaar de belofte deden voor altijd en in eeuwigheid?

Het is beter om niets te zeggen, omdat deze dingen onuitsprekelijk zijn. Telkens gingen onze gedachten eerbiedig naar de Bron van waaruit ons leven en al ons geluk vloeit. Dan knielden we op het weelderige gras met bloemen aan onze voeten. We hieven onze innerlijke ogen op tot de glorieuze Zon des Hemels. In deze woorden, die als een vloeiend ritme vorm kregen in de hemelse tong - gaf ik uitdrukking aan de gedachten die onze zielen beroerden:

"O liefhebbende Vader der eeuwigheid, O Goddelijke gever van alle liefde en licht, O Prins der vrede en blijdschap, O barmhartige Heer en Redder, voor uwe ogen brengen we onze gedachten en heffen onze zielen op tot U ! Zie op ons neer vanuit de hoogte van Uw Goddelijke Majesteit en Glorie, Verwaardig U, om ons als Uwe dankbare dienaren aan te nemen en als gewillige onderdanen in Uw Goddelijk Koninkrijk. Geef ons om in oprechtheid voor U te wandelen tot in eeuwigheid, prijzende uw naam voor altijd in zuiverheid van denken en doen. We weten, o liefhebbende Vader dat Uw zegen wordt uitgegoten over alle schepsels, zoals de zonnestralen met milde hand op aarde vallen. Nu vragen we Uw zegen op deze, onze huwelijksdag. Geef ons dat we getrouwd mogen zijn zoals het goede en het ware. Moge de onsterfelijke fakkel der liefde, die alleen leeft voor U, in onze harten branden en onze levens veredelen tot in eeuwigheid. Lieve Vader, U kent al onze noden en al onze gedachten, eer we spreken en danken U met ons gehele hart voor alle glorieuze geluk dat we van U mogen ontvangen."

 

Hoofdstuk 23 - We schrijden over de grens.

 

Met tranen van blijdschap in onze ogen stonden we op. Toen we van deze plaats vandaan wandelden, vlogen vanuit een tak van een boom in de nabijheid twee tortelduiven op. Met zachte strelende tekens groetten zij ons. Dit bleek het sein te zijn voor de vreugdevolle aanhef van ongeveer duizend stemmen. Terwijl deze zoete harmonie in onze oren vloeide, kwamen vanuit de bossen jonge lammeren en herten te voorschijn. Met vriendelijke ogen, zonder angst keken hun vriendelijke ogen ons aan. Bij het wegsterven van de vogelzangen hoorden we dan een koor van mooie menselijke stemmen. We passeerden een groep lieflijke jonge meisjes, die aan de kant van dit pad stonden. Zij glimlachten tegen ons en zongen een liefdeslied. En dan, - O wondervolle schoonheid ! - scheen het alsof een bui gouden regen vanuit de hoogte op ons neervielen. "De uiterlijke representatieve, of wel het inwendig neerdalen van de Goddelijke zegen, waarvoor we misschien hadden gebeden," fluisterde ik toen het over was.

We zagen nu dat we het einde van de tuin naderden. Voor ons stond een huis van parelachtige steen, ingebouwd in de muur achter een soort parkhuisjes, maar veel groter. Toen we dichterbij kwamen stond een man op van zijn plaats vlak bij. Hij opende wijd de deur en nodigde ons binnen. Terwijl we de treden opgingen en de deuropening passeerden, zagen we een ontvangvertrek waar we met verwondering en blijdschap, rechts en links vertrouwde gezichten van vrienden zagen. Alle meesters van mijn school en de engelmoeders van mijn geliefde waren daar, tevens Ariël en mijn

dierbare vriend Alaric. Een tweede blik liet ons nog iemand anders zien. Het was een vreemde - zeer edel uitziende man in een rijk golvend gewaad van vlammend purper.

Bij het binnentreden, aarzelend, tegen elkaar leunend en daarbij om ons heen zagen, keek deze nobele man ons aan. Met ernstige nadruk sprak hij deze woorden.

"Moge de Goddelijke zegen op u rusten !"

Dan herhaalde mijn geliefde meester hetzelfde en daarna de voornaamste engelmoeders. Daarop volgden de overige meesters en engelmoeders. Zij, en tenslotte zeiden Ariël en Alaric deze woorden na. Dan spraken ze allemaal, als met en stem: "Moge de Goddelijke zegen op u rusten. Wij stonden daar met bonzend hart en trilden tot in het diepst van onze ziel. Voorwaar, dit was des Heren eigen zegen, gesproken door de mond van Zijn engelen.

"Wij danken u van ganser harte, goede vrienden," zei ik tenslotte uiterst kalm. Mijn liefste voegde daar niets aan toe. Haar stralen gezicht betuigde volop dank.

De hoofdmeester, in het mooie gewaad van een priester des Hemels, stond nu voor ons. Hij hief zijn handen op toen we voor hem knielden, bad om de zegen van de Allerhoogste voor ons in onze nieuwe staat.

"Wij zijn hier samen gekomen," zei hij toen het gebed geëindigd was en hij ons omhoog rees, om te getuigen, te bevestigen en om jullie verbond in te wijden. De staat van een verloofd paar is gelijk de lente vóór de zomer en gelijk de mooie bloemen eer zij vrucht dragen. Want zo is de verloving de innerlijke verbinding, met de belofte van al wat komen gaat. Het is nog niet het complete huwelijk. Verlovingen en het daarop volgend innerlijke verbond van een paar beïnvloeden de vereniging van de innerlijke mens. Daardoor wordt het gemoed van de éne met het gemoed van de ander verbonden. Zo vindt het geestelijk huwelijk plaats vóór het huwelijk van het lichaam.

Ik zie dat jullie dit als jullie huwelijksdag beschouwen in de hoogste en meest werkelijke zin, want het is de dag waarop jullie je aan elkaar geven, de dag van de verbinden van jullie zielen, hetgeen in werkelijkheid het goede huwelijk is. De dag van je uiterlijk huwelijk wacht nog maar zal niet lang meer worden uitgesteld omdat ik zie dat jullie reeds innerlijk verbonden zijn. Zodra jullie je plaats in het Hemels gezelschap hebben gevonden, dat jullie eeuwig tehuis zal zijn, zullen jullie naar lichaam en ziel met elkaar verbonden worden.

Toen de ceremonie voorbij was leidde de hoofdmeester ons naar die nobele persoon die ons in het begin gezegend had. Hij zat nu op een verhoogde gouden stoel onder een prachtig gewelfde baldakijn.

"U moet aan uw Prins worden voorgesteld," legde de meester uit, die hier kwam om u eer te bewijzen op de dag van uw verloving. Hij is de heerser van het hemelse gezelschap, waartoe u nu behoort."

Vanaf het eerste moment hield ik van hem. Met ware eerbied en ontzag maakte ik een buiging voor mijn Prins en kuste zijn hand. Intussen luisterde ik naar zijn wijze en vriendelijke woorden, die zijn gelukwensen begeleidden.

"U zult vandaag met mij dineren in het paleis," vertelde hij ons, eer hij ophield met praten, "en zodra je staat van voorbereiding voltooid is, zal uw bruiloft daar worden gevierd. Nadat de jonge mannen en vrouwen in hemelse koren gezongen hebben, zullen zij vooraf gaan en uw wagen volgen door de straten naar uw hemels tehuis, dat door de Heer is voorzien.

"Dan, vervolgde hij, met mij alleen sprekend, na een passend antwoord van mij, zult u binnen enige dagen een benoeming ontvangen betreffende het nut, dat u zelf hebt gekozen."

Na dit alles passeerde ons het gezelschap en allen drukten ons de hand, met welgekozen woorden. De laatste van allen was Alaric.

"Het is leuk dat je gekomen bent om ons te ontmoeten, lieve vriend," zei ik tegen hem dankbaar. Nadat hij gesproken had :" Jij ook, met een lange blik in de ogen van mijn geliefde naast me - "heb jij ook je hemelse echtgenote?"

"Zij is niet ver weg en je zult haar binnenkort zien.," antwoordde hij, met een blijde flikkering in zijn oog.

Maar nu werd wijn geschonken en geserveerd in gouden bokalen. Op een woord van de Prins dronken allen op de geestelijke gezondheid van het nieuw verloofde paar.

"En wij," zei ik, toen de wijn aan ons was gegeven, "wij drinken op onze geliefde Prins en onze broeders."

Na deze ceremonie was er geluid van buiten. Er werd een deur geopend tegenover die, waar we binnen waren gekomen. We zagen een uitgestrekt en mooi prachtig landschap.

De Prins groette de vertegenwoordigers van de twee scholen en stapte in zijn rijtuig met een glimlach op zijn gezicht toen hij voorbij reed en riep:

"Het is nu uw beurt om mij te volgen!"

Aldus eindigde dit gelukkige, feestelijke uur, want alle meesters en engelmoeders namen afscheid - met een uitdrukking van vreugde, in plaats van spijt. Zij dachten niet aan ons vertrek, maar aan ons welzijn en geluk. Dan stegen we in ons rijtuig, begeleid door Ariël en Alaric. Het rijtuig van de Prins dat van echt goud was en met koper beslagen wielen van rood hout had, werd door twaalf witte paarden getrokken en bewoog zich voorwaarts.

"Hoe ! "Wat ?" vroeg ik verbaasd, toen mijn liefste en ik hadden plaats genomen, "moeten wij rijden en jullie lopen?"

"Ja juist," was het antwoord van Ariël en hij glimlachte. We wilden je eer bewijzen op deze dag van jullie grote geluk."

In deze staat bewogen we ons vooruit.

Toen we de helling van een heuvel opklommen, langs een gebaande weg met dorens en door met wijn verstrengelde laurieren, onder leiding van het rijtuig van de Prins, bemerkte is tot mijn verbazing aan iedere zijde een onbekend landschap. Op de top van de heuvel snakte ik naar adem, want voor ons spreidde zich een zeer mooi dal uit, dat ik nooit eerder zag. In de blauwe verte zagen we de glinsterende koepels en torenspitsen van een grote stad. Ik keek om me heen, achter me, om misschien een vertrouwd iets te zien, maar alles was veranderd.

"Wat is dit ?"vroeg ik aan de twee wandelende vrienden op zij van ons. "Ik zie niet meer het schoolgebouw van mijn meesters. We zijn toch zeker niet te ver gegaan."

"Je kunt het niet zien," antwoordde Ariël en hij en Alaric glimlachten teder _"omdat je nu aan gene zijde van de grens bent." "De andere zijde ? Wanneer gingen we passeren? Ik wist het niet."

"Niemand weet dit ooit."

"En we zijn nu " - ik keek naar het stralende gezicht van mijn geliefde en weer naar Ariël - " en we zijn nu in" -

"In des Heren Hemels Koninkrijk."

 


top

Colofon.

  • In 1894 publiceerde Louis C. Pendleton in Amerika het boek:

    The Wedding Garment, a Tale of the Life to Come.

  • In 1994 werd Het Bruiloftskleed - een hiernamaalsroman uitgegeven, vertaald in de vooroorlogse spelling (1933) van Joseph Linthuis; de oplage (ISBN 9090067035) was 500 ex. en is sinds 1999 uitverkocht.
  • Naar aanleiding van onze oproep voor het inzenden van digitale teksten, ten behoeve van de uitbreiding van de Digitale Swedenborg Bibliotheek, ontving de redactie een door Alma de Bordes gemoderniseerde digitale vertaling van Het Bruiloftskleed, waarvoor dank.

Printerdocument van 90 pag. A4.

Digitale uitgave: Swedenborg Boekhuis 2007.